Honkbal en cijfermateriaal zijn onlosmakelijk verbonden

HAARLEM, 25 juli Wegens een wereldwijde actie voor de jeugd is vandaag bij de Haarlemse Honkbalweek de voormalige Japanse profhonkballer Sadaharu Oh te gast. Een man die tussen 1959 en 1980 het Japanse tophonkbal domineerde en 113 homeruns meer sloeg in zijn lange carriere dan zijn even beroemde Amerikaanse tegenhanger Hank Aaron. In 22 seizoenen sloeg hij 868 homeruns, kwamen er 2786 honkslagen van zijn knuppel en behaalde hij in totaal een slaggemiddelde van 0.301. Moeiteloos kunnen over de man honderden feiten en cijfers worden vermeld, zoals dat ook zou kunnen over elke andere tophonkballer waar ook ter wereld. Honkbal en cijfers horen onverbrekelijk bij elkaar.

Bij de ingang van het Pim Mulier-stadion in Haarlem nemen verreweg de meeste wedstrijdbezoekers een scorekaart mee. Een kaart waarop precies het verloop van de wedstrijd genoteerd kan worden en waarmee je thuis de ontmoeting weer exact kunt naspelen. Officiele scorers, aangesteld door de bond, bepalen wat bijvoorbeeld als honkslag of als persoonlijke fout genoteerd moet worden en zij geven die informatie via de speaker in het stadion door zodat iedereen dezelfde en daardoor vergelijkbare normen aanlegt. Een soort cijfer-scheidsrechters dus. Het is geen uitzondering dat bezoekers ook nog nauwkeurig bijhouden hoeveel ballen een werper tijdens een wedstrijd heeft gegooid. Via een zogenoemde 'speedgun' is zelfs nog exact aan te geven hoeveel snelheid een geworpen bal heeft. De statistieken van de week, samengesteld via een computerprogramma van Cecile de Pierre met duizenden gegevens, vindt gretig aftrek.

Statistici

Honkbal is een sport voor statistici. In Amerika worden gegevens over meer dan honderd jaar profhonkbal via een uitgebreid computernetwerk in alle stadions verspreid. Iedere minuut is te bepalen of ergens weer een record is gebroken. En als dat zo is komt dat op alle electronische scoreborden en juichen honderdduizenden mensen in alle stadions en vele miljoenen kijkers voor de televisie exact op hetzelfde moment. Ook in Nederland kan bondsarchivaris Kees Leseman moeiteloos alle gevestigde records sinds vele jaren produceren. 'Dat verzamelen van cijfers', zegt Marco Stoovelaar, bondsstatisticus voor de hoofdklasse en officieel scorer van de KNBSB, 'is overgewaaid uit Amerika. Daar is men gek van cijfers. Je krijgt via een zee van informatie een goed beeld van elke speler en elk team. Alles is daar in terug te vinden. In Nederland noteren we niet zoveel als in Amerika, maar wij zouden het makkelijk ook kunnen. Vanaf 1912, de start van het honkbal in Nederland, hebben wij de top-tien aardig in beeld. Vanaf 1967 hebben we heel veel informatie over alle spelers en teams compleet. Via de scorecommissie kunnen we eenvoudig ieder jaar, mede aan de hand van deze cijfers, de beste honk- en softballers bepalen, die daarvoor dan ook een onderscheiding krijgen.'

Stoovelaar, die samen met Jan van der Nat de Honkbalgids samenstelt, waarin alle informatie over hoofdklasse-honkballers wordt bijgehouden, denkt dat de behoefte aan feiten en cijfers alleen nog maar groter zal worden en heeft dan ook verregaande plannen. 'Wij kunnen nu op vrijdagavond op aanvraag exact alle cijfers van de competitie produceren voor 's zaterdags het wedstrijdprogramma van start gaat. Wij zijn echter van plan die informatie volgend jaar ook wekelijks aan de pers te sturen. Kan men die eventueel gebruiken bij de verslaggeving.' Mede door het verzamelen van die feiten en cijfers heeft de KNBSB een eigen museum: het Nederlands Honkbal en softbal museum, gevestigd in het Pim Mulier-stadion in Haarlem. Ondanks alle toekomstplannen voor een Nederlands sportmuseum, dat als het ooit gerealiseerd wordt moet komen in Biddinghuizen in de Flevopolder, gaat het hier nog steeds om een unieke zaak. Naast veel honk- en softbalmateriaal uit lang vervlogen tijden heeft het verzamelen van duizenden feiten en cijfers ervoor gezorgd dat het Honkbal en softbal museum, voorlopig nog het enige in Nederland, is van een georganiseerde sportorganisatie.