HET STIEFKIND INNOVATIE Nederlandse bedrijven houden achterstand ondanks riante winsten

Innovatie heeft bij veel Nederlandse bedrijven nog steeds niet de hoogste prioriteit. De achterstand ten opzichte van sommige landen werd de laatste jaren wat kleiner maar op de ranglijst van innovatiegerichtheid zakte Nederland zelfs wat terug. De club jonge, welactief vernieuwende kleine ondernemingen blijft beperkt van omvang. Het aantal successen is gering. Innoverende starters zijn niet langer de troetelkinderen van de verstrekkers van durfkapitaal.

Hoewel ze hun budgetten in vijf jaar tijd met vijftig procent verhoogden, doen Nederlandse bedrijven nog altijd minder aan onderzoek en ontwikkeling (R en D) dan hun concurrenten in de technologisch vooraanstaande landen in deze wereld. Zo liggen de bedrijfsuitgaven voor onderzoeksactiviteiten in Japan, de Verenigde Staten, West-Duitsland en Zweden op dit moment eenderde tot de helft hoger dan in ons land. Die achterstand hangt voor een deel samen met onze economische structuur: onderzoek en ontwikkeling concentreren zich nu eenmaal in de industrie, terwijl hier de relatief research-arme dienstensector domineert. 'Er zijn ook grote verschillen per sector', zegt prof. W. Zegveld, hoofddirecteur van TNO. 'In de voedings- en genotmiddelensector, waar Nederland sterk in is, liggen de R en D-uitgaven op een tot twee procent van de omzet. Bij bedrijven als Siemens is het meer dan tien procent. Dus als je een industriele structuur hebt met weinig Siemens-achtige bedrijven, ligt je R en D-percentage uiteraard lager.'

Maar zelfs na correctie voor dit soort verschillen blijft de conclusie: in geld gemeten zou de bedrijfs-R en D (in 1988 rond de 6.3 miljard gulden) vierhonderd miljoen (zes procent) hoger moeten liggen dan in feite het geval is. De riante winst- en investeringsontwikkeling van de laatste jaren is voor ondernemers blijkbaar geen reden geweest om op dit gebied nu eens echt van leer te trekken.

Teruggezakt

Volgens het ministerie van economische zaken is de achterstand wel kleiner geworden. In 1985 lag die naar schatting nog op een miljard gulden (rond de twintig procent op een totaal aan uitgaven van 4,5 miljard), maar door de ophoging van de budgetten in de tweede helft van de jaren tachtig liep Nederland enigszins in op de VS en West-Duitsland. Ten opzichte van Japan en Zweden verloor ons land echter toch nog wat terrein; de bedrijven in die landen schroefden hun onderzoeksuitgaven blijkbaar nog sneller op dan wij. Volgens de jongste editie van het bekende World Competitiveness Report is de internationale positie van Nederland op het punt van de 'toekomstgerichtheid' (innovatieve orientatie) dan ook helemaal niet verbeterd. Dit rapport, dat sinds 1980 jaarlijks verschijnt, bevat ranglijsten van de belangrijke industrielanden die steeds zijngebaseerd op grote aantallen indicatoren. Vergelijking van enkele edities leert dat Nederland in de loop van de jaren tachtig geleidelijk zelfs wat is teruggezakt op de ranglijst voor innovatiegerichtheid.

Een van de indicatoren voor die ranglijst is de octrooi-activiteit die een land ontplooit. Studies hebben uitgewezen dat de technologische positie van een land hand in hand gaat met de concurrentiepositie; een groei van de octrooi-activiteiten heeftbinnen enkele jaren een gunstig effect op de ontwikkeling van debuitenlandse handel, zo is gebleken. Volgens hoofddirecteur Zegveld van TNO moet echter niet al teveel waarde aan octrooi-ranglijsten worden gehecht; de verschillen tussen landen op dit gebied hebben ook te maken met culturele en fiscale factoren. 'Japanners octrooieren alles, niet alleen een vinding zelf, maar allerlei dingen eromheen. Verder kennen veel landen fiscale stimulansen voor R en D-activiteiten (Nederland niet - MM). Op zich leidt dat tot meer R en D, maar dat is vaak optisch bedrog. Nadere analyse heeft geleerd dat bedrijven in die landende neiging gaan vertonen om van alles onder de noemer R en D te schuiven, om zo van de stimuleringsaftrek gebruik te kunnen maken.'

Zegvelds nuancering wordt bevestigd door een rapport van de ABN uit 1989 waaruit blijkt dat Nederland het op octrooigebied in Europees verband helemaal niet slecht doet. Ruim drie procent van alle bij het Europees Octrooibureau toegekende patenten wordt aan Nederlandsebedrijven of ingezetenen verleend. Per hoofd van de bevolking is datrelatief veel; alleen West-Duitsland en Zwitserland scoren beter.

Multinationals

Maar het Nederlandse beeld wordt sterk beinvloed door de activiteiten van Philips en de andere multinationals. Nederland bezit vooral octrooien op het gebied van de communicatietechniek, de elektronica (onder andere beeldoverdracht en informatie-opslag), elektrische verlichting, consumentenelektronica (alles grotendeels Philips), en de sanitaire produkten (Unilever). In de chemie (Shell, Akzo, DSM) gaat het ook aardig, en verder wordt er door Nederland relatief veel gepatenteerd in de agribusiness (land- en tuinbouwmachines, voedingsindustrie) en in de scheepsbouw. Buiten demultinationals is er dus maar een handjevol bedrijven met substantiele octrooi-activiteiten. In feite wordt 85 procent van al het onderzoek door twintig tot vijfentwintig grote ondernemingen uitgevoerd. Nederland is wat dat betreft overigens geen uitzondering. Soortgelijke patronen zijn ook in Zweden, Duitsland en Japan regel. Alleen in de Verenigde Staten zijn kleinere en middelgrote bedrijvenniet veel minder actief dan de groten. Vanuit het perspectief van dewerkgelegenheid zijn deze laatste echter het meest interessant. Kleinere innovatieve bedrijven lopen weliswaar meer risico's - vaak zijn ze ook relatief jong - en gaan sneller failliet. Desondanksscheppen ze naar verhouding veel banen. Eind jaren zeventig werd dit verschijnsel in de VS al geconstateerd, maar onlangs kwam het weer eens opnieuw voor het voetlicht door een onderzoek van het SEO, de Stichting voor economisch onderzoek van de Universiteit van Amsterdam. SEO bekeek in opdracht van Economische Zaken de ontwikkeling van negenhonderd Nederlandse bedrijven tussen 1983 en 1988 en concludeerde dat de 'moderne' (en vaak kleinere) onder hen inderdaad een significant hogere groeivoet hebben dan de 'traditionele' (en vaak grotere). Vooral als ze veel aan produktgerichte research doen scheppen bedrijven ook relatief veel extra werkgelegenheid.

Actief clubje

Helaas heeft de opvoering van de Nederlandse onderzoeksinspanningen in de afgelopen jaren niet direct geleid tot een forse uitbreiding van het aantal jonge, innovatieve, research-intensieve bedrijven. In feite zijn zij nog steeds betrekkelijk zeldzaam, blijkt uit het SEO-onderzoek. Van de industriele bedrijven met tien tot twintig werknemers doet maar een op de vijf iets aan eigen onderzoek en ontwikkeling, en in de dienstensector is het niet meer dan een op de acht. Daar staat tegenover dat dit clubje innovatievelingetjes wel bijzonder actief is. Het zet gemiddeld zeven tot acht procent van zijn mankracht voor het onderzoekswerk in - terwijl grote ondernemingen over het algemeen niet verder dan 5,5 procent komen (alleen Philips springt daar ruim bovenuit). Ook de ontwikkeling van de participatiemaatschappijen en venture capital fondsen die veel jonge, hoog-technologische bedrijven in hun portefeuilles hebben, geeft geen aanwijzing voor een echt spectaculaire ontwikkeling op dit punt. De Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP) waarin de in totaal zeventig van dergelijke verschaffers van risicokapitaal samenwerken, heeft berekend dat haar leden eind 1988 zo'n twee miljard gulden hadden geinvesteerd in circa 1300 ondernemingen. De resultaten van die investeringen zijn echter beperkt. Het rendement van de participatiemaatschappijen en venture-capitalfondsen komt gemiddeld genomen niet boven die van een staatslening uit, en vele van hen slagen er zelfs niet of nauwelijks in om boven de nullijn uit te komen. Dat betekent, mutatis mutandis, dat ook veel van de ondernemingen waarinzij participeren het niet bijster goed doen. Het aantal successen isgering, het komt maar zelden voor dat het venture fonds zijn aandelen naeen aantal jaren met ruime winst van de hand kan doen - en dat is uiteindelijk toch de bedoeling van de leveranciers van 'durfkapitaal'. Ook de werkgelegenheidseffecten zijn beperkt. De NVP vond bij de 1300 participaties een groei van tienduizend arbeidsplaatsen (de meetperiode is niet geheel duidelijk, de NVP spreekt over 'de afgelopen jaren'). Dat zou neerkomen op een investering van twee ton per extra arbeidsplaats; de rijksoverheid met zijn banenplannen doet het vermoedelijk goedkoper.

Jonge, innovatieve starters worden door de participatiemaatschappijen dan ook niet langer als troetelkinderen beschouwd, zoals in de jaren tachtig. Op grond van de matige resultaten met dit type bedrijven neigen de grotere venture-capitalists er toe hen de rug toe te keren. Eerder trad deze ontwikkeling al op in de Verenigde Staten en Engeland, landen waar het fenomeen durfkapitaal het verst is doorgedrongen. In Nederland gaat het nu dezelfde kant op: venture capitalists concentreren zich meer en meer op het financieren van management buy-outs en uitbreidingsinvesteringen, waarbij het steeds gaat om bedrijven die hun bestaansrecht al overtuigend hebben bewezen. Slechts een van elke zes geinvesteerde guldens heeft betrekking op starters.

Tranen 'De financieringsstructuur in Nederland is gericht op de bestaande bedrijven', klaagt drs. ir. ing. B. van der Kooij, hoogleraar in de organisatie van technische innovatieprocessen aan de Technische Universiteit van Eindhoven. Van der Kooij heeft zelf als startende ondernemer (hij is deeltijd-hoogleraar) een rondje langs negen venture-capitalfondsen en reguliere banken gemaakt. 'De tranen schoten je in de ogen', zo karakteriseert hij de reacties. 'Voor de banken ben je te gevaarlijk, voor de grotere venture capitalists ben je niet groot genoeg.'

Slechts dankzij de hulp van wat ondernemers die hij nog uit zijn tijd als VVD-Tweede Kamerlid kende, kon hij zijn software-bedrijfje van de grond tillen. Nu, vier jaar later, draait het aardig en heeft hij vijf mensen aan het werk. 'Mijn aandeelhouders (grote banken, verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen, ondernemingen, - MM) willen nu eenmaal een rendement van vijftien procent', verdedigt Nick van Ommen, adjunct-directeur van Euroventures Benelux, qua vermogen 's-lands grootste venture capitalist, zich tegen dit type klachten. 'Als je een goede portefeuille hebt, dan vallen er van de tien bedrijven uiteindelijk twee tot drie af. Om die vijftien procent te halen, moeten we dus een rendementseis van vijfentwintig procent stellen. En bij het echte zaai-kapitaal - participaties bij starters - halen zes van de tien het niet; daar moeten we meer dan vijftig procent rendement eisen.' Op particuliere investeerders kunnen jonge nieuwlichters in dit landal evenmin een beroep doen. In de angelsaksische wereld is altijd wel iemand te vinden met geld en met de bereidheid een gokje te wagen, maar de Hollandse spaarzin verdraagt zich nu eenmaal niet goed met het nemen van al teveel risico's. Volgens Zegveld van TNO zouden er dan ook fiscale faciliteiten voor particuliere investeerders moeten komen in de vorm van een belastingaftrek. Zo zou een nieuwe bronvan startersfinanciering kunnen worden aangeboord.

Boekhouders

Bedrijven die hun eerste levensjaren hebben overleefd, blijven bovendien voor hun innovatieve activiteiten geruime tijd afhankelijk van overheidssubsidies. Zegveld vindt dan ook dat de bezuiniging op de Innovatiestimuleringsregeling (Instir) van het ministerie van economische zaken moet worden teruggedraaid. Deze loonkostensubsidie voor R en D-werkzaamheden dreigde wegens te groot succes uit de hand te lopen. Zonder aanpassing zou de Instir jaarlijks zeker vierhonderd miljoen gaan kosten, liet de minister van economische zaken een jaar geleden aan de Tweede Kamer weten. Voor 1990 is het budget daarom ingeperkt tot 170 miljoen gulden, het maximumsubsidiebedrag verlaagd naar 150.000 gulden (was 2,5 miljoen), en het percentage teruggebracht van veertig naar dertig procent van de R en D-loonkosten. Het is nog onzeker wat er in 1991 gaat gebeuren, maar het ligt in de bedoeling Instir uiteindelijk helemaal af te schaffen. Zegveld windt zich hierover nogal op: 'Hier zijn typisch de boekhouders aan de macht. Ik weet dat mensen uit hetbedrijfsleven, en juist in het midden- en kleinbedrijf, het een goeie regeling vinden.'

Economische Zaken geeft zelf toe dat Nederland relatief weinig doet aan het steunen van innovatie en R en D in het bedrijfsleven. Bovendien blijkt uit evaluaties dat de Instir-gelden voor meer dan de helft bij de kleine en middelgrote ondernemingen terecht kwamen. EZ verdedigde de inperking met het argument dat de regeling nu juist meer op het MKB is toegespitst en de grotere bedrijven, die het ook zonder overheidssteun wel afkunnen, buiten dedeur worden gehouden. Het is echter de vraag of men niet te drastisch tewerk is gegaan en het kind met het badwater heeft weggegooid. Innovatie is een moeizaam proces, zo zal blijken in de serie portretten van jonge, vernieuwende bedrijven, die het Supplement Economie de komende weken brengt. Gebrek aan ideeen en mensen om ze uit te voeren is er in Nederland niet, zegt prof. Van der Kooij van de TU Eindhoven. 'Maar er kan nog zoveel gezaaid worden, als je niet af en toe water geeft, gaat al dat zaad weer dood.'