Het licht van de geschiedenis

Wat was ook weer het gesprek van de vorige zomer? Het einde van de geschiedenis. Een veelbelovende jonge ambtenaar van het State Department, Francis Fukuyama, had een briljant essay geschreven waarin het einde van de geschiedenis werd aangekondigd. Na een theoretisch stevig onderbouwd betoog kwam hij tot de conclusie dat hij, als het op het beleven van historische avonturen aankwam, liever tot een oudere generatie had behoord omdat die van hem en de volgende een vervelende tijd tegemoet gingen.

Het essay is gepubliceerd in The National Interest, een neo-conservatief tijdschrift. In de daarop volgende nummers is er nog veel over gedebatteerd, en ook buiten die kringen trouwens, maar de geestdrift kwam vooral van neo-conservatieve kant. Dat was geen wonder. Het Westen had de Koude Oorlog gewonnen, dat werd nu overal beseft, en het debat diende eigenlijk om de zege te vieren. Tegelijkertijd was er immers een eind gekomen aan de ideologische tegenstelling die de wereld anderhalve eeuw had beheerst. Het communisme had zijn inferioriteit bewezen, het kapitalisme was historisch geslaagd, en als je goed keek kon je zien dat dit alles aan Ronald Reagan en de zijnen te danken was.

Deze zomer heeft het debat, voor zover het tussen de Amerikanen onderling wordt gevoerd, een andere toon. Hebben de Verenigde Staten de Koude Oorlog wel gewonnen, of nauwkeuriger, als dat zo is, heeft het Westen dat dan aan de neo-conservatieven te danken? Valt misschien ook iets te zeggen voor de opvatting dat het Sovjet-imperium vanzelf ook wel in elkaar gestort zou zijn en dat toevallig Reagan door de geschiedenis is aangewezen om het laatste duwtje te geven, waarbij de Amerikanen voor die voorstelling achteraf bezien veel hebben moeten betalen? De gedachtenwisseling valt in haar hoofdzaken te volgen op de opiniepagina van de gezegende International Herald Tribune, de dagelijkse Amerikaanse bijdrage tot de Europese beschaving, waaraan Robert Maxwell met zijn European voorlopig nog een voorbeeld kan nemen. Christopher Lasch, een Amerikaanse intellectual van wie men lang niets had gehoord, heeft op 13 juli in de Tribune een artikel gepubliceerd waarin hij uitlegt dat de overwinning te duur is betaald. Zonder dat het nodig was hebben de Amerikanen gepacteerd met allerlei ongure regimes, zoals dat van Pinochet, om 'de Russen geen kans te geven' en dat heeft hun morele geloofwaardigheid kwaad gedaan. In hun binnenlandse politiek hebben zij de grootste vraagstukken op hun beloop gelaten, zodat de armoede, dakloosheid, drugsverslaving en Aids tot permanente lasten zijn geworden. De vroegere supermacht is voos.

Op dezelfde pagina stelt de Democratische senator Daniel Patrick Moynihan vast dat het Amerikaanse publiek zich zeer lang heeft laten bedotten door de CIA, die de macht van de Sovjet-Unie stelselmatig heeft overschat. Dit is geen splinternieuwe onthulling. Kennedy had al aan het spook van de achterstand zijn verkiezingsoverwinning te danken ('I want this country moving again') en Reagan heeft met zijn 'standing tall' feitelijk dezelfde formule gebruikt.

Over de vergissingen, al dan niet opzettelijk, van de CIA en over de vertekening van de Sovjet-macht ten behoeve van de Amerikaanse binnenlandse politiek, is inmiddels een bibliotheekje volgeschreven. Destijds was dat een verzameling onthullingen die de bedoelde invloed op de politiek heeft gemist. Nu dient dit alles tot een afrekening: van degenen die toen hun kans hebben gemist, met de neo-conservatieven die haar toen onmiskenbaar hebben gegrepen, en die dientengevolge met de eer van de overwinning gaan strijken.

Wat is Reagan waard 'in het licht van de geschiedenis'? Valt daarover na twee jaar al een uitspraak te doen? Het licht van de geschiedenis is een handige schijnwerper waarmee men iedereen naar believen kan verblinden dan wel in het zonnetje zetten. Maar ook zonder dat men nu al de geschiedenis te hulp roept, kan men wel zien dat de Amerikanen er na de overwinning niet goed voorstaan. 'Het begrotingstekort is zo groot dat het wel voor zichzelf kan zorgen', zei Reagan weleens als hij daarmee werd lastig gevallen.

Twee jaar nadat deze grappige president is verdwenen is het grootste vraagstuk voor de Amerikaanse buitenlandse politiek het verschijnen van twee economische supermachten, Duitsland en Japan, die hun economische macht als instrument voor hun buitenlandse politiek hebben herkend en als zodanig gebruiken. Kohls verenigingsbeleid, dat een geheel vormt met het totaal van zijn Ostpolitik, is uitsluitend op de economische macht van de Bondsrepubliek gegrondvest. De Amerikanen bevinden zich daar niet meer in het centrum waar de beslissingen worden genomen. Het is onvermijdelijk dat de Japanse buitenlandse politiek, wortelend in een ten minste even grote economische macht met het daarbij behorende zelfbewustzijn, ook steeds Japanser zal worden.

Militair zijn de Duitsers in de NAVO verweven, en de Japanners hebben geen strijdkrachten waardoor zij militair een 'grote mogendheid' zijn. Maar als nieuwe economische supermachten hebben zij wel dienovereenkomstige mondiale belangen en het zal niet zo lang duren voor die als zodanig worden erkend. Een oorlog tussen Irak en Koeweit bijvoorbeeld kan zo'n inzicht snel bevorderen.

Kan een zelfstandige economische supermacht het zich 'veroorloven' altijd een militaire macht van het tweede plan te blijven? Kan de enig overgebleven militaire supermacht zich als politieagent tegen relatief geringe betaling laten huren? Wat laat het licht van de geschiedenis hier zien? Komt het er niet op neer dat na acht jaar Reagan Amerika te huur is gezet?