EEN IDEOLOGISCHE OPSLAG

Successen overdrijven en slecht nieuws verzwijgen is volgens het voormalige hoofd van de DDR-plancommissie, Gerhard Schurer, iets anders dan cijfers vervalsen. De nu gepensioneerde topambtenaar legt aan het Duitse weekblad Wirtschaftswoche uit hoe hij zonder vervalsing te plegen de werkelijkheid naar believen vorm gaf. Neem bij voorbeeld het feit dat de DDR tot voor kort te boek stond als hi tech-kampioen bij uitstek vanwege de massale inzet van industrierobots. Het ligt er volgens Schurer maar aan wat je daar onder verstaat: 'In onze balans kon ook een melkmachine meegeteld worden als robot.' Een andere methode om de waarheid wat op te rekken kwam voor rekening van het Politburo, dat regelmatig opdracht gaf tot 'een ideologische opslag'.

Dat betekende dat de plancijfers voor de produktie van industriele goederen in 1988 op aanwijzing van het Politburo zonder meer werden verhoogd met zeven miljard stuks. En ja, het nationale inkomen in 1988 groeide volgens plan met drie procent, zonder dat evenwel de schuldenlast volledig werd verantwoord. Dat wil volgens Schurer zeggen dat van de drie miljard mark exportoverschot maar een heel klein deel uit echte deviezen bestond. Het grootste deel ervan ontstond door de handel met de Sovjet-Unie mee te rekenen. Schurer verklaart dat hij de laatste jaren steeds meer onenigheid kreeg met het Politburo, maar daar geen ruchtbaarheid aan gaf uit angst voor de gevolgen. Wel erkent hij na veertig jaar plan-economie te hebben bedreven met een ambtelijk apparaat van 25.000 man, dat deze vorm van economische politiek niet past in deze tijd: 'Het beste bewijs daarvoor is dat zelfs de werklozen uit het Westen niet bij ons wilden wonen.'

The Economist

Nu het meeste kapitaal in de wereld is bevrijd van nationale regulering wordt de concurrentie op de financiele markten zo meedogenloos dat talloze ondernemingen hun internationale aspiraties op een lager pitje hebben gezet. In het maandelijkse overzicht, dit keer gewijd aan de veranderingen op 's werelds kapitaalmarkten, wijst het Britse weekblad The Economist ter illustratie van deze ontwikkeling op het beleid van de Amerikaanse bank Citicorp. Na een miljard dollar te hebben besteed aan de opbouw van de handel in waardepapier op wereldschaal in de jaren tachtig, beeindigde de bank dit jaar de laatste activiteiten op dit gebied in Londen. Andere ondernemingen als Nomura Securities in New York en Shearson Lehman Hutton volgen een soortgelijke gedragslijn. Kortom, voor velen is er geen droog brood meer te verdienen, vooral niet nu er steeds inder plaats is voor bemiddeling tussen leners en verleners, die zelf de regels van het spel permanent herschrijven.

Dat betekent bij voorbeeld dat de meest kredietwaardige ondernemingen de banken links laten liggen en hun waardepapier in de vorm van 'commercial paper' rechtstreeks aan de belegger verkopen. Het resultaat van ontwikkelingen als deze kan volgens het blad zijn dat financiele ondernemingen zich door mondiale deregulering gedwongen voelen de internationale markten te verruilen voor de thuismarkten waarmee zij tenslotte het best bekend zijn. In Europa betekent dat bij voorbeeld dat de Frankfurter beurs wint wat de Londense verliest. Pas daarna voorziet het blad een nieuwe vorm van internationalisering, gebaseerd op de kracht van het thuisland.

Fortune

Sinds 1955 publiceert het Amerikaanse blad Fortune jaarlijks een ranglijst van de 500 grootste Amerikaanse ondernemingen, in 1976 aangevuld met een jaarlijks overzicht van de 500 grootste niet-Amerikaanse ondernemingen. Beide lijsten zijn nu in elkaar geschoven tot een Mondiale Pikorde, gebaseerd op de omzetcijfers. General Motors staat bovenaan, gevolgd door Ford Motor, Exxon en Koninklijke/Shell. Daimler Benz staat als dertiende genoteerd en Unilever handhaafde zich op de achttiende plaats. Siemens en Philips bezetten de 22ste en de 29ste plaats. Op nummer 142 staat Akzo vermeld en DAF Trucks is als nummer 500 de hekkesluiter in de boeken van Fortune. Trots meldt het blad dat de VS met 167 ondernemingen op de lijst nog steeds nummer een is. In 1980 echter stonden er 23 Amerikaanse ondernemingen bij de top-vijftig en slechts vijf Japanse. Nu staan er tien Japanse en zeventien Amerikaanse ondernemingen bij de vijftig grootsten.