SERGEI PARADZJANOV 1924-1990; Tableaux vivants van eenpoetische fantast

De Armeense cineast Sergei Paradzjanov is vrijdagavond op 66-jarige leeftijd aan kanker overleden. Vorig jaar dwong een hartaanval hem het werk aan een nieuwe film af te breken, bij welke gelegenheid er een long moest worden weggenomen. Eind mei werd hij met een Frans regeringsvliegtuig naar Parijs vervoerd voor een nieuwe spoedoperatie, die echter geen verbetering in zijn toestand bracht. Afgelopen woensdag transporteerde men hem op zijn eigen verzoek terug naar Jerevan, de hoofdstad van Armenie.

Paradzjanov werd geboren in het Georgische Tblisi. Daar woonde hij het grootste deel van zijn leven, daar werkte hij, aan zijn films, aan zijn romans, aan zijn collages, aan de honderden hoeden die hij bij wijze van liefhebberij vervaardigde. Maar om te sterven ging hij naar Jerevan, het hart van het land dat zijn kunstenaarsschap bepaalde. Het is ook Jerevan waar hij morgen wordt begraven.

Bijna altijd wordt Sergei Paradzjanov aangeduid met het adjectief Armeens-Georgisch. Als Sarkis Paradzjanian in 1924 in Tiflis geboren uit Armeense ouders, kreeg hij een dubbele identiteit. Dat deed hij zelf, in 1988 in gesprek met NRC Handelsblad, af met een grapje: 'In Armenie zijn het water en de cognac beter, in Georgie de films'.

Maar wie Paradzjanovs films bekijkt, het jubelende De kleur van de granaatappels (1969), of zelfs het martiaal-poetische Het Fort van Soeram. Een legende (1984, opgedragen aan de Georgische krijgers van alle tijden), kan evenmin onmogelijk volhouden dat ze typisch Georgisch zijn, ook al kwamen ze daar tot stand. De lichtheid en de vaak droge humor van Georgische films ontbreekt, evenals de Georgische gave om alles te relativeren. Paradzjanovs personages zijn geen mensen maar poppen, de acteurs geregisseerd alsof ze optreden op de plankiers van ouderwetse jaarmarkten: vol nadrukkelijk spel en met trage tred. Armeense folkore heeft zijn middeleeuws-mythische verhalen net zo doordrenkt als zijn bloemrijke visuele stijl.

Een film van Paradzjanov kan niet bekeken worden, daar neemt de toeschouwer een bad in. Hij laat zich zakken in een keur van elkaar hortend opvolgende tableaux vivants, voelt het water tot zijn kin stijgen wanneer die plaatjes tot leven komen en gaat dan kopje onder in alle verwijzingen, historisch, cultureel, religieus of anderszins. En toch verlaat men een film van Paradzjanov niet verstikt maar verkwikt, als na een concert van duistere maar extatische muziek. Zo'n film werkelijk begrijpen kan een westerling niet, maar iedereen die zich ervoor openstelt kan ze uitstekend voelen.

Paradzjanovs latere films, Azik Kerib (1988, naar een gedicht van Lermontov) of korte film Arabesken op het thema Pirosmani (1988), verveelden soms doordat ze wankelden op al te zelfverzekerd gehanteerde vertel-conventies en omdat ze veel vondsten en elementen uit zijn eerdere werk herhaalden. Het leek of hij moe geworden was, of hij bleef steken in zijn eigen stijl. Wie weet moet een deel van de oorzaak daarvoor gezocht worden in de adoratie die hem ten deel viel in Westerse culturele kringen een Frans regeringsvliegtuig wordt niet zomaar gebruikt als taxi voor een zieke kunstenaar. Behalve de Franse cultuurminister Jack Lang en filmfestival-directeuren over de hele wereld droeg een bepaald cinefiel publiek Paradzjanovs werk op handen. Documentaire cineasten reisden naar Tblisi om het genie te interviewen en te filmen. Van kritiek was nooit sprake, daarvoor was het onderwerp van hun werk te schilderachtig en te charmant. Paradzjanov liet zich alles graag welgevallen en voldeed aan het beeld van de vrolijke creatieve toverkabouter omdat men van dat van hem verwachtte.

Het hoeft niet te verbazen dat de maker van nauwelijks benoembare werken al snel na het begin van zijn carriere werd opgemerkt door de Sovjet-autoriteiten. Geen censor die wist wat hij aanmoest met Paradzjanovs poetische, onorthodox vertelde fantasieen. Zijn korte films en zijn, ook internationaal bekroonde, speelfilmdebuut De Vuurpaarden (1965) werden nog enthousiast onthaald, maar Granaatappels bereikte de Sovjetbioscopen slechts na krachtig verknipt te zijn. Het duurde ook dertien jaar eer die verminkte versie buiten de grenzen kwam.

Vijftien jaar lang kon Paradzjanov geen film meer maken, werd hij vervolgd en monddood gemaakt. In 1973 werd hij, na zijn weigering te getuigen tegen een van de leiders van de Oekrainse nationalistische beweging, onder meer aangeklaagd wegens 'anti-Sovjet-agitatie, homoseksualiteit, het verspreiden van geslachtsziekten en pornografie'. Het resultaat was een veroordeling tot vijf jaar gevangenkamp, waaraan internationale pressie pas in 1977 een einde wist te maken. Begin 1982 werd hij opnieuw gearresteerd, nu op beschuldiging van ongeoorloofde handel in ikonen. In december van dat jaar kwam hij weer vrij. Aan zijn overlijden wordt er nu in de Sovjet Unie ook niet de aandacht besteed die je zou verwachten bij het verscheiden van een kunstenaar van zijn allure, postuur en invloed. Een keurige necrologie in de Izvestia, daar blijft het bij. Alleen het Sovjet Parlement van de Armeense Republiek nam een minuut stilte in acht om de talentvolle zoon te herdenken.

Dat de films van Sergei Paradzjanov in Nederland te zien zijn geweest is te danken aan de inspanningen van wijlen Huub Bals, oprichter en jarenlang directeur van het Film Festival Rotterdam. De emoties werden Bals bijna te machtig toen hij Paradzjanov, voor het eerst op reis buiten de Sovjet-Unie, in februari 1988 aan de verzamelde Nederlandse pers mocht voorstellen. 'Maestro' bracht hij uit, om daarna enige momenten getroffen te zwijgen. Paradzjanov bleek een welbespraakte grijsaard te zijn, die de hulde ondergroef door direct te zeggen dat hij 'maar een gewoon Sovjet-filmer' was, 'die in zijn leven nog twee films hoopte te maken' en hij nam iedereen voor zich in met zijn kokette, geestige en ellenlange verhalen. Die twee films zijn er niet meer van gekomen.