Nieuwe perswet houdt gebruik van massamedia zorgvuldig ondercontrole; Kremlin blijft op zijn hoede

Als op 1 augustus de nieuwe perswet in werking treedt, zal de persvrijheid in de Sovjet-Unie ongetwijfeld toenemen. Iedereen zal een persorgaan of een radio- of televisie-omroep mogen oprichten en censuur van massa-informatie zal niet meer zijn toegestaan. De wet bevat echter ook bepalingen op grond waarvan het hen, die gebruik willen maken van die vrijheid, nog behoorlijk lastig kan worden gemaakt en die afwijken van wat bijvoorbeeld in ons land onder persvrijheid wordt begrepen.

De belangrijkste bepaling in dit opzicht is het registratievoorschrift. Voordat massamedia hun werkzaamheden mogen aanvangen, dienen zij zich bij daartoe aan te wijzen overheidsorganen aan te melden en door die organen te worden geregistreerd. Media die zich op het buitenland richten, dienen door de raad van ministers van de Sovjet-Unie of van een unierepubliek te worden geregistreerd; voor media die zich op een binnenlands publiek richten, worden afzonderlijke registratie-organen aangewezen.

Bij een aanvraag tot registratie dient een aantal gegevens te worden overgelegd, waaronder de beoogde lezers-, luisteraars- of kijkerskring, een programma van doelstellingen en taken, de beoogde periodiciteit van de uitgave, de maximale omvang en de financieringsbronnen. Het stellen van andere eisen aan de registratie van een massamedium is bij de wet verboden.

Het registratievoorschrift gaat heel ver; alleen als het gaat om een persorgaan met een oplage van minder dan duizend exemplaren is geen registratie vereist. Ontheffing van de registratieplicht is ook verleend aan staats- en gerechtelijke organen voor de publikatie van wetten en jurisprudentie en aan ondernemingen, organisaties en aan educatieve en wetenschappelijke instellingen voor informatiemateriaal en documentatie, die zij nodig hebben voor hun werk.

Registratie kan worden geweigerd als de naam van het massamedium en/of zijn programma van doelstellingen en taken in strijd zijn met de bepalingen in de wet, die gericht zijn tegen 'misbruik van de vrijheid van het woord'. De wet verstaat daaronder het openbaar maken van staatsgeheimen, een oproep tot het gewelddadig omverwerpen of substantieel veranderen van de publieke en maatschappelijke orde, propaganda voor oorlog, geweld, wreedheid, rassen-, nationale en godsdienstige discriminatie en de verspreiding van pornografie. De wet verbiedt bovendien inmenging in het persoonlijk leven van de burgers en inbreuk op hun eer en waardigheid.

Registratie kan ook worden geweigerd, indien minder dan een jaar is verstreken na het opleggen van een verschijnings- of uitzendverbod aan het desbetreffende medium. Tegen weigering van registratie of het niet ontvangen van een bewijs van registratie binnen de wettelijk vastgestelde termijn staat beroep open op de rechter.

Controle

De wijze waarop massamedia fungeren, staat in feite onder permanente controle. Kranten zijn wettelijk verplicht gratis controle-exemplaren onmiddellijk nadat ze van de pers komen toe te zenden aan het orgaan dat hen heeft geregistreerd. De redacties van radio- en televisie-omroepen zijn verplicht hun geluids- en beeldbanden gedurende een maand na uitzending te bewaren en een journaal van live-uitzendingen bij te houden. Dit journaal dient gedurende een jaar na de datum van de laatst opgetekende uitzending te worden bewaard.

Indien het orgaan, dat het certificaat van registratie heeft verstrekt, in de loop van een jaar herhaaldelijk schending van de persvrijheid heeft geconstateerd, kan het een verschijnings- of uitzendverbod opleggen. De oprichter of redactie van het desbetreffende medium kan bij de rechtbank tegen een dergelijk verbod in beroep gaan. Ook de rechtbank kan een verschijningsverbod opleggen. Als in beroep het verbod ongedaan wordt gemaakt, worden de verliezen voor de oprichter en de redactie, inclusief de gederfde inkomsten, gecompenseerd.

Wie zich aan de registratieplicht onttrekt of een verschijnings- of uitzendverbod negeert is strafbaar, in eerste instantie met een administratieve sanctie tot vijfhonderd roebel en inbeslagneming van de oplage, dan wel de geluids- of beeldbanden. Bij herhaling, in hetzelfde jaar, volgt strafvervolging, die kan uitlopen op een boete van duizend roebel en verbeurdverklaring van de technische middelen die voor de vervaardiging en verspreiding van de gewraakte informatie zijn gebruikt.

Informatie

De wet 'op de pers en andere middelen voor massa-informatie', zoals de wet officieel heet, voorziet in een recht op informatie, maar dit wordt uitsluitend aan de massamedia toegekend, niet aan individuele burgers. Het recht op informatie voor individuele burgers wordt in een afzonderlijke wet geregeld.

Op grond van de perswet hebben burgers recht op efficiente ontvangst, door middel van de massamedia, van 'waarheidsgetrouwe' informatie over de activiteiten van staatsorganen, maatschappelijke organisaties en officiele functionarissen. Massamedia hebben het recht op ontvangst van dergelijke informatie; staatsorganen, maatschappelijke organisaties en officiele functionarissen verschaffen de massamedia de informatie waarover zij beschikken en bieden de mogelijkheid documenten in te zien. Tegen weigering van de gevraagde informatie is beroep mogelijk bij het naast-hogere orgaan, bij de chef van de betrokken functionaris en eveneens bij de rechter.

De wet geeft burgers van de Sovjet-Unie eveneens uitdrukkelijk het recht op toegang tot informatie uit buitenlandse bronnen, waaronder begrepen directe televisie-uitzendingen, radio-uitzendingen en de pers.

Rechtsbescherming

Zeer veel aandacht wordt gegeven aan de rechtsbescherming van de burger tegen onjuiste informatie die zijn rechten en wettelijke belangen schaadt of zijn eer en waardigheid in diskrediet brengt. Burgers die daarvan het slachtoffer worden hebben een wettelijk recht op rectificatie of antwoord, dat zij zo nodig via de rechter tot gelding kunnen brengen. De wet specificeert heel nauwkeurig de plaats, de vorm, de maximale omvang en de termijn van een rectificatie of antwoord. Eventueel kan een gelaedeerde burger zijn antwoord voor de radio of de televisie komen voorlezen.

Het massamedium kan ook worden verplicht, morele (immateriele) schade als gevolg van onjuiste en discrediterende berichtgeving te vergoeden. In een eerder gepubliceerd voorontwerp was voorgesteld, dat deze vergoeding zou kunnen oplopen tot een maximum van vijftigduizend roebel. Dit voorstel ondervond zeer veel bestrijding; onder dreiging van een zo hoge schadevergoeding zouden media er bijvoorbeeld toe kunnen worden gebracht, niet te berichten over privileges die partij- en staatsfunctionarissen zich hebben toegeeigend. In de definitieve tekst is geen bedrag meer vermeld. Bepaald is dat de rechtbank de omvang van de compensatie van morele schade, in geld uitgedrukt, vaststelt.

In het voorontwerp werd de bewijslast voor de juistheid van informatie bij het massamedium gelegd. In de definitieve tekst komt een dergelijke bepaling niet meer voor. Anderzijds is aan journalisten evenmin een verschoningsrecht toegekend. In het algemeen zijn zij verplicht de authenticiteit van het aan hen doorgegeven materiaal te verifieren, maar in een aantal gevallen kan onjuiste informatie hun niet worden toegerekend.

Zij zijn niet aansprakelijk voor berichtgeving die niet overeenstemt met de werkelijkheid, als deze berichten zijn verschenen in officiele communique's, als zij zijn ontvangen van persbureaus of voorlichtingsdiensten van staats- en maatschappelijke organen, als zij letterlijke weergaven zijn van toespraken in vergaderingen van parlementaire en maatschappelijk organen en van toespraken van officiele functionarissen en als zij zijn doorgegeven in toespraken van auteurs, die live via radio of televisie zijn uitgezonden of in teksten die volgens de wet niet aan redactionele bewerking mogen worden onderworpen.

Wetsontduiking

De uitvoering van de Perswet kan nog met tal van moeilijkheden gepaard gaan. Glavlit, het staatscensuurorgaan, heeft bij de totstandkoming van het wetsontwerp laten blijken, zeker niet van zins te zijn, zijn toezichthoudende taak zomaar uit handen te geven.

Het verschijnsel van wetsontduiking door overheidsorganen is in de Sovjet-Unie niet zeldzaam. De onafhankelijkheid van de rechter verkeert nog in het stadium van het kasplantje.

Tal van zaken moeten nog worden geregeld. Behalve een wet op het individuele recht op informatie moet er nog een wet komen, die staatsgeheimen definieert. De toegankelijkheid tot druk- en uitzendfaciliteiten is gering en zowel persorganen als hun abonnees worden voortdurend door schaarste in de papiervoorziening en -toewijzing bedreigd.

De Opperste Sovjet van de USSR heeft de regering en enkele van haar eigen commissies opgedragen met voorstellen te komen waardoor in deze tekorten kan worden voorzien. De totstandkoming van de Perswet heeft vier jaar geduurd en is met allerlei machinaties, vertragingstactieken en druk achter de schermen gepaard gegaan. Oplossing van de genoemde problemen, die de persvrijheid, nu ze formeel is geregeld ook materieel mogelijk moet maken, zal dus ook nog wel even op zich laten wachten.