In EG nog steeds onenigheid over tempo van EMU

BRUSSEL, 24 juli De ministers van financien van de Europese Gemeenschap zijn het onderling nog lang niet eens over het tempo waarin de Economische en Monetaire Unie (EMU) kan worden voltooid.

Ook over inhoudelijke aspecten van de EMU, zoals de vraag hoe strikt de monetaire discipline moet zijn, bestaan nog grote meningsverschillen.

Dat bleek gisteren op de raad van ministers van financien van de EG waar het rapport van het monetaire comite werd besproken dat vorige week over de voortgang van de EMU is opgesteld. Het monetair comite bestaat uit de hoogste ambtenaren van de ministeries van financien van de twaalf lidstaten.

In dat rapport wordt er ernstig rekening mee gehouden dat in het proces op weg naar de EMU via drie fases, waarvan de eerste op 1 juli is begonnen sommige lidstaten eerder aan de voorwaarden zullen voldoen dan andere, zodat er 'twee snelheden' ontstaan. 'In beginsel', zo zegt het rapport, 'moeten de lidstaten op uniforme wijze naar de fases 2 en 3 voortgaan. Als een belangrijk aantal landen echter voldoet aan de criteria voor overgang naar de volgende fase, dan moet die groep in staat zijn verder te gaan, zelfs als sommige andere landen nog niet voldoen aan de criteria.' De mogelijkheid dat er verschillende snelheden moeten worden gebruikt bij het realiseren van de EMU is kortgeleden geopperd door de president van de Duitse Bundesbank, Karl Otto Pohl. De voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, die zich daar aanvankelijk tegen verzette, bleek gisteren een veel soepeler houding aan te nemen. Het zou tenslotte niet voor het eerst zijn, zo zei Delors, dat er voor sommige lidstaten uitzonderingen worden gemaakt.

Bij de discussie over de economische convergentie die nodig is voor economische en monetaire unie drongen de zuidelijke lidstaten aan op het inbouwen van 'economische stabilisatoren', waardoor ze zich sneller kunnen aanpassen. In diplomatieke kringen werd dat uitgelegd als een eufemisme voor 'gewoon meer geld op tafel'. De Britse minister van financien, John Major, smaakte gisteren het genoegen dat aan zijn plan voor een 'harde ecu' serieuzere aandacht zal worden besteed dan tot dusver het geval is geweest. Het monetair comite zal op 4 september een extra vergadering aan Majors plan wijden, zodat het op de informele vergadering van de ministers van financien op 8 september in Rome betrokken kan worden in de discussie.

Op een persconferentie legde Major de nadruk op het feit dat zijn plan veel minder spanningen zou veroorzaken tussen de economische systemen van de lidstaten dan de 'plotselinge en abrupte aanpak' van het plan-Delors waarvan nu de eerste fase is begonnen. Major wil dat er naast de nationale valuta een harde ecu wordt gecreeerd die gebruikt kan worden door het bedrijfsleven en door toeristen. Op den duur zou die ecu zich kunnen ontwikkelen tot de enige munteenheid in de Europese Gemeenschap. De munt zou nooit gedevalueerd kunnen worden en evenmin gebruikt kunnen worden als parallelle munt om leningen in te plaatsen. Wel zou er de verplichting zijn voor de centrale banken om ecu aan te kopen. Volgens Major moet er een 'evolutionaire aanpak' zijn om de lidstaten in staat te stellen zich aan te passen.

Hoewel de ministers, met uitzondering van Major, gisteren het rapport van het monetaire comite in het algemeen goedkeurden, blijven er nog grote meningsverschillen bestaan over de fasering: Belgie en Frankrijk willen dat de tweede fase van de EMU, wanneer een Europees systeem van centrale banken wordt opgezet, op 1 januari 1993 ingaat. Andere lidstaten menen dat daarvoor geen precieze datum moet worden vastgelegd, maar dat er aan een aantal objectieve voorwaarden op het gebied van economische, fiscale en monetaire convergentie moet zijn voldaan.