'Huilen kan soms zelfs gezond zijn'

AMSTERDAM, 24 juli 'De traankunde is een beetje een subcultuurtje binnen de oogheelkunde. Tranen zijn immers noch weefsel, noch oog, maar wel essentieel bij het kijken. De traankunde kan niet alleen helpen bij het diagnostiseren van oogziekten, maar ook bij het onderkennen van tal van andere ziektebeelden. De analyse van traanvocht levert met gemak een honderdtal verschillende stoffen op: eiwitten, enzymen, zouten, hormomen en stofwisselingsprodukten. Vandaar dat binnen de traankunde naast oogartsen ook fysici en biochemici werkzaam zijn.' N. J. van Haeringen, als biochemicus werkzaam bij het (Nederlandse) Ophtalmic Research Institute, schetst het belang van de 'dakryologie'. Vanmorgen opende hij in de Amsterdamse Academie van Wetenschappen het tweede congres van de 'International Society of Dakryology'. Vandaag en morgen confereren meer dan honderd traankundigen uit ongeveer 25 landen over traanvocht bij mens en dier.

Analyse van traanvocht bleek al in 1984 een prima indicator voor mogelijke vitamine A tekorten en zou het afnemen van bloed kunnen vervangen. Het traanvocht van ondervoede kinderen gaf een grote toename van vitamine A te zien als de kinderen werden bijgevoed. De Amerikaanse oogkundige J. Ubels ontdekte dat door onderzoek van traanklieren van konijnen en ratten, het de traanklier zelf is die de vitamine aanmaakt met stoffen uit het bloed: de traanklier is eigenlijk een 'doorgever' van A-vitaminen, die van goot belang zijn voor het hoornvlies.

Volgens van Haeringen heeft de helft van de patienten van oogartsen problemen met het traanvocht: te veel (heel vervelend), of te weinig (een vreselijke handicap). Te droge ogen kan tal van oorzaken hebben, zoals gevoeligheid voor luchtvervuiling en het dragen van contactlenzen. Het moet volgens hem mogelijk zijn om door traanvochtanalyse te ontdekken of iemand al dan niet geschikt is voor het dragen van contactlezen: 'Dit is afhankelijk van kwalitatieve (de zuurtegraad, de enzymen en de zouten) en van kwantitatieve criteria. Er wordt veel geexperimenteerd met kunsttranen, maar die blijken het natuurlijke traanvocht nauwelijks te kunnen vervangen.' Vaak wordt beweerd dat de samenstelling van traanvocht varieert met de oorzaak van het huilen. Huilen zou soms zelfs gezond zijn, omdat met de tranen allerlei stressveroorzakende hormonen het lichaan verlaten. Zo zouden tranen van liefdesverdriet een andere biochemische samenstelling hebben dan het geplengde vocht bij het schillen van een ui. Van Haeringen: 'Dit klopt in zoverre, dat we in emotionele tranen naast de gewone stoffen ook het specifieke hormoon aantreffen. Moeders die op het punt staan om hun baby de borst te geven en daarbij een traantje plengen, hebben het hormoon 'prolactine' in hun traanvocht dat ook verantwoordelijk is voor het op gang brengen van de melkproduktie. En bij marathonlopers treffen we endorfinen aan, die hun lichaam in staat stellen om die prestatie te leveren. Maar het grootse deel van het traanvocht verdwijnt via het neusslijmvlies weer in het bloed'.

Van Haeringen is een echte tranenliefhebber. Trots vertelt hij over de eerste dakryologische publikatie uit 1791 in het Franse 'Anal de Chimie'. Maar, zegt hij, eigenlijk verdient Homerus die eer met een passage uit de Odyssee.

Het is een stukje uit het vierde boek. Telemachus, zoon van Odysseus, belandt bij de speurtocht naar zijn vader in Sparta aan het hof van Menelaos. Als deze ontdekt dat het de zoon van zijn verdwenen vriend Odysseus is die met hem aan tafel zit, vloeien de tranen rijkelijk. Maar Helena, Menelaos' vrouw, grijpt resoluut in: 'snel gooide ze een kruid in het wijnvat waaruit ze dronken, een pijnstillend kruid dat de toorn verdrijft en je alle rampspoed doet vergeten. Wie dit opslurpt nadat het met de wijn is gemengd, plengt de hele dag geen traan langs zijn wangen, ook al sterven zijn vader en zijn moeder, ook al worden zijn broer of zoon voor zijn ogen door brons gespiesd'. Van Haeringen: 'Het moet hier om de doornappel gaan. Die groeit trouwens nog steeds in Griekenland.'