Hoor, daar valt een speld in Haarlem

Debuterende schrijvers reisden op verzoek van deze krant naar een plaats in Nederland of Vlaanderen die hen al lang fascineerde. In het vierde verhaal vraagt de schrijver zich af wat hem in Haarlem kan gebeuren.

De bronzen vrouw. (Foto NRC Handelsblad/ Chris de Jongh)Voor grote gebeurtenissen hoef je naar Haarlem niet te gaan. Wie Haarlem nadert ziet brede boomkruinen de lucht in steken en daken van huizen waar het goed slapen moet zijn. Beneden in het station sinds de brand in Hollands Spoor onbetwist het fraaiste station van het land resideert een ouderwetse herenkapper, alsof de treinen nog op stoom rijden en er alle tijd is om je buiten de deur te laten scheren. Lambrizering tiert welig. Haarlem is een stad van hout. Laurens Janszoon Coster, schutsheer van de Grote Markt, schreef met letters van hout, en wanneer ik op een winderige julidag uit de trein stap, ga ik de stad in om de Haarlemmer Hout te zien.

Voor grote gebeurtenissen hoef je in Haarlem niet te zijn, en het zal dan ook geen toeval zijn dat ik er nog nooit ben geweest. Het is de stad die je passeert onderweg naar Amsterdam, waar het allemaal gebeurt. Wat kan je in Haarlem gebeuren? Dat zullen de toeristen zich ook afvragen, die onder de linden van de Grote Markt een plaatsje uit de wind zoeken. Het plein is groot genoeg, maar er is geen straatmuzikant te bekennen, geen goochelaar die zich over de verveling ontfermt. De catalogi van de Frans-Halstentoonstelling waaien weer dicht. Oude gevels nemen pittoreske poses aan, maar er gebeurt absoluut niets. Een man met een kop als Van Gogh diept een dinky toy op uit zijn wormstekige jasje en rijdt rondjes over zijn terrastafeltje. Een hand in de lucht, vindt Laurens Janszoon Coster de boekdrukkunst uit. De wind waait.

In een bocht van het Spaarne, de rivier die alle straten in de binnenstad een Oudhollandse knik in de knie geeft, ligt het Teylers Museum. Het oudste museum van Nederland. Een museaal museum. In het tekeningenkabinet beschermen ouderwetse gordijntjes de tere Michelangelo's en Rembrandts tegen het licht van de dag. Zo moest de enkele kenner die vroeger de collectie kwam bezichtigen eigenhandig de ene na de andere zeldzaamheid onthullen. Inmiddels heeft de museumkoorts van de twintigste eeuw zijn hoogtepunt, ook in Haarlem. De ene hand heeft het gordijntje nog niet gesloten of de volgende trekt het met evenveel respect weer open. Een expositie van oude meesters? Het lijkt eerder een demonstratie van oude gebruiken, zoals het hele museum iets heeft van een eerbiedwaardig rariteitenkabinet. Elders staan klassieken uit de geschiedenis van de natuurwetenschappen tentoongesteld: een electriseermachine die in een redelijke bungalowtent weinig elleboogruimte zou overlaten; een constructie van edel houtsnijwerk blijkt een vroeg model heipaal te behelzen, en in een hoekje staat het doel van mijn bezoek: een curieus klaviertje dat slechts 31 toetsen telt.

De mast van een zeiljacht glijdt langs terwijl organist Dalm improviseert op een orgelversie van het 31-toons instrument. Het ziet eruit alsof hij braille leest op de honderden minitoetsjes, zwart, wit en blauw. In de oorlogsjaren, toen er in heel Nederland niets gebeurde, ontwierp Adriaan Fokker, de toenmalige curator van het museum, een instrument waar in het octaaf niet twaalf tonen gingen, zoals bij iedereen thuis, maar 31. Toekomstmuziek. Ik luister. De boot gaat voorbij. Een natuurkundige met een absoluut gehoor, kon Fokker het niet laten de toonhoogte van een tram in de bocht te noteren, maar ik hoor niets dan bekoorlijk orgelspel in deze improvisatie. Als uit dit zwart-wit-blauwklavier de muziek van de toekomst klinkt, moet het de toekomst van toen zijn.

Ik loop de stad weer in, langs het gebouw waar een dertigjarige Harry Mulisch het dak beklom om zich naast de toren van de Sint Bavo te laten fotograferen. Grootheidswaan en hoogtevrees. Een fotograaf moet een vaste hand hebben bij zoveel onbedoelde hilariteit. Ook herinner ik me een foto van Mulisch in witte jas in zijn scheikundig laboratorium. Een tot zakken gedoemd gymnasiast, bezig wiel en wereld opnieuw uit te vinden. Een wereld van theorie waar niets gebeurt. De muziek van de reageerbuis. In Haarlem kun je een speld horen vallen.

Door een park met een beeldje van de Kleine Johannes wandel ik richting Hout. Het handjevol huizen kon evengoed aan de brink van elk plattelandsdorp staan: huisarts en notaris zouden elkaar een goedenavond wensen. Een type met een perzikkleurige kakatoe op zijn schouder kruist mijn weg en dat is het enige leven tot het andere eind van het Hout, waar bij een vijver een bronzen vrouw hurkt. Ze heeft het gezicht van een minder begaafde Egyptische, maar je moet een hart van steen hebben, wil je niet het geultje van haar rug strelen en de bronzen billen (die in de gemiddelde tent ook maar weinig armslag zouden laten). Vanaf het water houden vier witte eenden, perfect parallel, mij nauwlettend in de gaten. Politieke dieren. Aan de overkant van de vijver strekt een zwaan al vijf minuten de hals: een zwaan van plastic dus.

Wat doe ik hier? Elke laan waar ik ga is deja vu, al was ik nooit eerder in Haarlem. Ik sla een hoek om, en een vrouw die op een balkon een bedachtzame stofdoek uitslaat, kijkt naar het open boek in mijn hand. Wat ik hier doe? Ik volg het spoor terug van een roman die ik vroeger verslonden heb, al snapte ik er de helft niet van: de Erwin-trilogie van Joyce en Co. Een pseudoniem dat even ambitieus was als de drie romans waarin een complete bibliotheek aan omgevallen boekenkasten werd leeggeschud. Het ideaal van de gymnasiast: een trechter te zijn waar alle kunst en kennis door loopt. Een reageerbuis met het volume van een orgelpijp? Het boek dat alle boeken overbodig maakt alleen een tikje onleesbaar. Mulisch kon er ook wat van. Zulke boeken worden nu niet meer geschreven zelfs in Haarlem niet en Geerten Meijsing hoefde zijn pretentieus pseudoniem maar te laten vallen of hij schreef een boek waarvan je zowaar iedere pagina kon lezen.

In de Hout valt de avond. Een merel zingt. Je kunt een speld horen vallen. Ik zit bij het Hildebrandt-monument. Rug naar het water, staan figuren uit de Camera Obscura rond een fonteintje. Veel water komt er niet uit, maar het klopt, die beelden: zo zijn neef Nurks en Van der Hoogen. Het is blank als papier, maar het steen is door geen graffiti gesigneerd. Wie zou zoiets doen? In Haarlem zijn beelden echter dan mensen. Geen wonder dat een enkeling zich verbeeldt dat het beeld van Coster met hem oploopt. Voor de zekerheid kijk ik nog even om, als ik mijn weg vervolg door het Hout van de verbeelding. Jaren na dato loop ik de schaduw van een romanfiguur achterna, boek onder de arm. Niet in de verwachting dat er iets bijzonders gebeurt. De zon is al lang onder, en in Haarlem gebeuren geen grote dingen.

Herman Stevens debuteerde met de roman Mindere goden.