Het nieuwe engagement

In het zomernummer van het kwartaaltijdschrift Helling van Groen Links zit een fors katern over literatuur en engagement. Het begint met een onwaarheid: 'Sinds de Muur omver ligt, staan in Oost-Europa de schrijvers midden in de maatschappij. Of ze willen of niet, ze worden gevierd als het geweten der natie. De honger naar literatuur is enorm in de wankele democratieen.' In werkelijkheid was de leeszucht in het Oostblok voor de grote hervormingen heviger en vooral veel breder aanwezig. Op soms schrijnende wijze worden auteurs van wie vroeger elk boek wegvloog geconfronteerd met hun dalend aanzien nu de vrijheid eenmaal daar is zijn er andere prioriteiten, van materiele aard.

Helling ziet ook een 'nieuwe zucht naar engagement in het Nederlandse proza van de laatste jaren'.

Twaalf schrijvers werden uitgekozen om het nieuwe minder strenge engagement aan op te hangen. Chris Keulemans schreef een relativerende toelichting, Marianne van den Boomen een inleiding.

De twaalf: Renate Dorrestein, Willem van Toorn, Jill Stolk, Koos van Zomeren, J. Bernlef, A. F. Th. van der Heijden, Monika van Paemel, Bril en Van Weelden, Astrid Roemer, Pamela Koevoets, Jacq. F. Vogelaar ('Het plezier van het nutteloze'), en Lidy van Marissing.

De Helling, zomer 1990. Wetenschappelijk Instituut Groen Links, postbus 700 Amsterdam, 020-267374. 47 blz. fl. 10.-

Geheimen bewaren

Wie een aanbeveling van Cortazar opvat als een aanbeveling, die leze de nieuwe Raster. Daarin houdt de Argentijnse schrijver een lang, barok betoog over de uitzonderlijke kwaliteiten van de Cubaan Jose Lezama Lima (1910-1979), wiens werk vooral andere Latijnsamerikaanse schrijvers opgevallen is. Een 'fabelachtig larvennest' noemt Cortazar de 'roman' Paradiso (1966), waarmee Lezama zich plaatste op het niveau van Octavio Paz en Jorge Luis Borges. Cortazar verkneukelt zich bij de gedachte aan een 'very exclusive' club van onontmoedigbaren, lezers die genieten konden van Musil, Broch en Lezama. 'Lezama lezen is een van de moeilijkste en vaak irritantste klussen die er bestaan een naakte confrontatie van een mensengelaat met een hemel van sterreklauwen.' Over Paradiso zegt hij dat het is als een 'dwarse houw in essenties en presenties'. Over Lezama's met naiveteit getooide barok: 'Een naieve latijnsamerikaanse onschuld, die orfisch de ogen opslaat aan het begin van de schepping, Lezama Adam voor de zondeval, Lezama Noach '. Raster nam een vertaald hoofdstuk uit de ondoordringbare roman Paradiso op, en een essay van Lezama over de 'bovennatuur van de literatuur'. Leek dit blad eindelijk een nieuwe weg ingeslagen te zijn, versterkt door hoognodig vers bloed, nu valt het ineens toch weer terug op de oude formule: 't even afstoffen van een ontoegankelijke, ooit avantgardistische auteur uit het buitenland Cortazars beschouwing dateert al uit 1967. In dit nummer staat nog ander werk uit de jaren zestig dat door zijn inleider en vertaler 'irritant' wordt genoemd. Het is een stuk uit Quelqu'un van Robert Pinget maar hoe veel meer voor de mensen werd dit geschreven. 'De tuin is afschuwelijk, twintig bij twintig. De kastanjeboom in het midden, de schuur achterin, het is een hok van planken. Je kunt niet in de tuin wezen vanwege de fabriek ernaast. Overal zwart stof en de ranzige baklucht van de kantine. Dat is jammer in de zomer.' Drie Chinese dichters verpersoonlijken in Raster de actualiteit: Duoduo, Bai Hua en Bei Dao. Ter inleiding werden onder andere stukken afgedrukt uit het SLAA-interview dat Willem van Toorn had met Duoduo en Bei Dao. Beide dichters, net veertig, ontvluchtten hun onvrije vaderland en combineren in hun gedichten oude tradities uit de Chinese poezie met Westers modernisme. 'Obscure dichters' worden ze genoemd: 'Poezie is ook een goed middel om niet te communiceren, om geheimen te bewaren'.

In Een onafzienbaar ogenblik, een pas verschenen bloemlezing moderne Chinese poezie, zijn van alledrie flink wat gedichten opgenomen. Bei Dao die ook de roman Golven schreef is misschien de meest heldere. Uit het gedicht 'De dichtkunst': 'van het enorme huis waar ik thuishoor/ is alleen de tafel over; eromheen/ ligt een eindeloos moeras '. Raster 50, isbn 9023413695. De Bezige Bij, 160 blz. fl. 24,50Ich bin ein Big MacNu het dan eindelijk kan stort het Belgische kwartaalblad vooor poezie Pi zich met de beste bedoelingen op de Midden- en Oosteuropese dichtkunst. Pi is een wat merkwaardige, want meertalige uitgave van de oude, obscure 'Europese Vereniging ter Bevordering van de Poezie (en de auteurs)', waarin afwisselend Frans, Duits, Engels en Nederlands gebezigd wordt.

In het speciale nummer 'Freiheit' zijn gedichten bijeengebracht uit alle Oostbloklanden behalve Albanie. Polen is prominent aanwezig, aangezien er nogal wat Polen in Belgie wonen. Pi brengt in dit nummer poezie van voor de cruciale laatste maanden van 1989, maar wil in de toekomst Oost- en Middeneuropa gewoon bij haar 'werkgebied' trekken. 'Nu al duizel je bij het gevoel dat Europa op enkele maanden tijd met een tiental landen is vergroot', roept hoofdredacteur Eugene van Itterbeek uit ('des sensations de vertige') in zijn voorwoord.

Het gebruik van vier talen door elkaar vergt nogal wat van de lezer. Bovendien zijn al de gedichten ook in hun originele taal afgedrukt. De Poolse dichter Czeslaw Milosz (geb. 1911), emigre en Nobelprijswinnaar, krijgt in twee beknopte artikeltjes een achtergrond. 'De stem van de passie is beter dan de stam van het verstand, / Want passielozen kunnen de geschiedenis niet veranderen'.

Ook de Poolse dichter Zbigniew Herbert ontbreekt niet. Wat opvalt aan haast alle gedichten is een bijna religieus-optimistische grondtoon. Van de Zwitser Vahe Godel is een elegie op de Muur in gemengd Frans-Duits opgenomen, waarin de Duitse regels luiden: 'ich bin ein Berliner/ hier steht die Mauer/ die graue rauhe grausame/ Mauer der Dauer/ Willkommen Selbstbedienung/ ich bin ein hamburger/ tot ist die Mauer/ ich bin ein croque-monsieur/ ich bin ein Big Mac/ ich bin ein Mauschen/ hier stand die Mauer.' Pi, trimestrieel tijdschrift voor poezie, 9e jrg. nr. 1, 'Freiheit'. 189 blz. 400 BF. Blijde Inkomststraat 9, B-3000 Leuven.

Gewapper van Armando

Phil Bloom maakte het kunstwerk 'Mickey Mouse ontmoet Olifantsgod' dat opgenomen werd in de vijfhonderd exemplaren van De Zingende Zaag juli-september. Ze woonde de afgelopen twintig jaar beurtelings in New York en India. Haar mythische Olifantsgod doet toch vooral aan Babar denken. Zachte vilten zonnebloemen als Mickey-Mouse-oren werden op het omslag van dit nummer aangebracht. De Zingende Zaag bijt zich vast in de verhouding tussen beeld en woord, maar niet altijd wordt ook een relatie tussen beide zichtbaar. Ook niet waar dat gemakkelijk wel had gekund: waarom bijvoorbeeld werd K. Labey's geschilderde portret van Rimbaud niet afgebeeld naast zijn gedicht 'Rimbaud'? Waarom niet iets afgedrukt naast Janine Kaganskii's gedicht 'Ho, gewapper van Armando, ho!'? 'Aan die zwarte vaandels moet een krachtig/ einde komen. Ten eerste is de schuld/ geen strijd van beelden, is aan ons vlees, / zeep en dildo genoeg verdiend.

Ja Armando, het/ aap, noot, mies is niet zonder gevaar.' Koos Schuur (geb. 1915) maakt zijn poetische rentree in dit opmerkelijke Haarlemse tijdschriftje en kreeg een plaats naast beeldend en geschreven werk van drie kunstenaars uit Dresden, en drie gedichten uit 1949 van de Italiaan Salvatore Quasimodo, met vertalingen ernaast van Frans van Dooren.

De Zingende Zaag, 2de jrg. nr.8 Postbus 1077, 2001 BB Haarlem. 48 blz. fl. 12,50.