De status van schandaal

HOEWEL DE VRAAG iets pervers heeft, dringt zij zich toch op: Aan welke kenmerken moet een schandaal voldoen om er ook een te worden? Al zo'n jaar of vier weet iedereen die zich bezig houdt met het debacle van de Amerikaanse spaarkassen dat het een schandaal is. Niet eens zozeer omdat er een kleine duizend spaarkassen failliet gaan, ook niet eens zozeer omdat dat kon gebeuren door een stuntelige wetgeving, maar omdat alle belangstellende krantelezers al geruime tijd wisten dat het hier simpelweg om een greep van grijpgrage medeburgers in de staatskas betrof die zijn weerga in de Amerikaanse geschiedenis, en waarschijnlijk in de algemene geschiedenis van list en bedrog, niet kent. Drie- tot vijfhonderd miljard dollar zijn ermee het raam uitgevlogen.

Misschien is dit laatste een verklaring voor de desinteresse tot nu toe voor het onderwerp. Getallen met elf nullen gaan de menselijke maat te boven. Intrigerender is de vraag hoeverre ideologie de blik op de werkelijkheid ontnam en ertoe leidde dat een schandaal pas met vertraging een schandaal kon heten. OP DE DAG dat Ronald Reagan de nieuwe wet op de spaarkassen tekende, 15 oktober 1982, en feestelijk verklaarde dat 'Amerika nu de jack-pot heeft gepakt', begonnen in diverse hotels van het land al de seminars met pakkende titels als: 'De Macht van Onmiddellijk Contant Geld' en 'Financing the Flips'.

Ingewijden wisten precies wat er ging gebeuren. De nieuwe Amerikaanse regering had in het kader van de deregulering de spaarkassen gedereguleerd maar het Congres had tegelijkertijd de lobby van de spaarkassen beloond. Het gevolg was een wangedrocht: Spaarkassen kregen de ruimte om zich met alle mogelijke aspecten van het geldelijk gewin bezig te houden maar tevens verhoogde de overheid de verzekering van het ingelegde spaarbedrag van 40.000 naar 100.000 dollar. Projectontwikkelaars en speculanten stortten zich vanaf 15 oktober 1982 op spaarkassen, stelden hoge rentes in het vooruitzicht aan beleggers en konden met dank aan Washington een waterdichte garantie afgeven voor verliezen. Wat ooit slome, maar degelijke bankjes waren voor kleine spaarders en bescheiden huisbezitters, werden nu casino's. En controleren deed niemand het, want toen de opperste controleur in Washington eens bij het Witte Huis aanklopte voor extra accountants werd hem te verstaan gegeven dat hij de tekenen des tijds niet had verstaan. Die leerden dat de overheid niet de oplossing maar het probleem was, niet meer accountants dus, maar minder, zo luidde het advies.

OM EEN IDEE te geven van de ernst waarmee de overheid controleerde: In de staat Texas werd het peloton overheidscontroleurs gevormd door werkloze anglicisten, musicologen en godsdienstleraren. Zij keken of debet en credit klopten en lieten het daarbij. De werkelijkheid achter de cijfers bleef zo goeddeels buiten beschouwing. Wat als een kostbaar villadorp in de boeken stond, kon in werkelijkheid een kale vlakte zijn en de boekwaarde van junk-bonds hoefde niet te corresponderen met de werkelijkheid van de junk-bond-roulette op Wall Street. Maar zolang de boeken klopten, konden spaarkasbezitters beleggers aantrekken en dat ging onbekommerd verder, ook toen vanaf 1987 eigenlijk de meeste betrokkenen wisten dat hetdebacle daar was.

Maar niemand greep in. De president wist er geen raad mee. De overheidstekorten waren toch al veel te hoog en zolang iedereen verder deed alsof de boeken klopten, hoefde de politiek niet in verlegenheid te worden gebracht. De schijn van solventie was voorlopig genoeg, ook al kostte verder uitstel vanaf dat jaar 30.000 dollar per minuut. Dan was er nog iets. De uitwassen van de financiele bonanza waren voornamelijk in het Westen van het land te vinden. Daar is de argwaan jegens Washington het grootst, de jacht op de 'fast buck' ontwikkeld en er bestaat een lange, populistisch getinte traditie van verzet tegen de prudente bankiers van de Oostkust. Huisvoorzitter Jim Wright (Democraat) nam een woest speculerende vriend van een Texaanse spaarkas eens in bescherming met de woorden: 'We laten de federale agenten niet zomaar op Texas los.'

(Wright verloor overigens intussen zijn baan, diens vriend zijn spaarkas.)De eerste regeringsdaad van president Bush was ogenschijnlijk kordaat. De failliete boedel werd geinventariseerd en er kwamen schuldpapieren om het gat te vullen. De manoeuvre bleef buiten de federale begroting om het beeld niet te bederven, maar de nieuwe president had alles onder controle en verder ging het om onvoorstelbare bedragen.

NU BEGINT HET dan ten slotte te dagen. Misschien omdat geen andere meeslepende onderwerpen de natie in hun greep houden maar zeker ook dank zij Neil Bush, strijdvaardige zoon van de president en betrokken bij het faillissement van de Silverado-spaarkas in Denver. Silverado is een overzichtelijk voorbeeldje van wat er aan de hand was, inclusief een faillissement (in 1988) en een rekening bij de belastingbetaler van een miljard dollar. De jonge Bush heeft in het geheel van De Macht van Onmiddellijk Contant Geld betrekkelijk onschuldige dingen gedaan, maar zijn familierelatie is pikant en hij heeft zich tegen een aanzwellende stroom van argwaan assertief verdedigd. Wie weinig begreep van het grootste bankfiasco uit de Amerikaanse geschiedenis kreeg plotseling in de ontbijtshows het leven van de jonge zakenman Neil Bush aangeboden.

Acht jaar nadat de jack-pot werd beet gepakt, is het fiasco bij het publiek gearriveerd en heeft het debacle de status van schandaal.