Veranderingen in Cuba worden nu onafwendbaar

ROTTERDAM, 23 juli Morgen, volgend jaar of pas de volgende eeuw. Alle antwoorden zijn nog goed als het gaat om de uiterst speculatieve vraag wanneer Fidel Castro en zijn communistische bewind in Cuba het veld zullen ruimen. De vraag is de afgelopen tien dagen weer actueel geworden, nu het laatste socialistisch geregeerde land van Latijns Amerika is verwikkeld in diplomatieke incidenten met Europese landen rondom het probleem van vluchtelingen in ambassades in Havana. Incidenten, maar wel incidenten die illustratief zijn voor de bestaanscrisis waarin Cuba nu verkeert.

Een kleine twee weken geleden nam een groepje jonge Cubanen zijn toevlucht tot de Tsjechoslowaakse ambassade en de woning van de tijdelijk zaakgelastigde van Praag in Havana. Een diplomatieke ruzie tussen de twee landen en het vertrek van ruim twintig Tsjechoslowaakse diplomaten en hun gezinsleden waren er het gevolg van.

Vorige week volgde de vlucht van vier Cubaanse jongelui naar de residentie van de afwezige Italiaanse ambassadeur in de Cubaanse hoofdstad.

Ernstiger voor Castro en de zijnen is de betrokkenheid van de Spaanse ambassade bij de crisis. Ook de vertegenwoordiging van Madrid is het doelwit geworden van jonge Cubanen die de wijk willen nemen. Nog dit weekeinde voegden negen Cubanen zich bij de vier die al in de ambassade verbleven, ondanks het politie kordon dat Cuba rondom de diplomatieke vestiging had gelegd. Onduidelijk in alle gevallen is of deze mensen oprechte asielzoekers zijn, avonturiers of zelfs provocateurs. De Spaanse regering behandelt de zaak daarom ook met de nodige omzichtigheid.

Toch kon die houding niet voorkomen dat vorige week een fikse ruzie tussen Havana en Madrid losbarstte. Aanleiding was het op gewelddadige wijze weghalen door de Cubaanse politie van een jongeman die zich al in het ambassadegebouw bevond. Ondanks excuses van Havana liep het incident uit op een niet mis te verstane en uiterst ondiplomatieke woordenwisseling tussen de derde man van het Cubaanse bewind, partijsecretaris Carlos Aldana, en de Spaanse minister van buitenlandse zaken, Francisco Fernandez Ordonez. Veel opgekropte sentimenten kwamen aan de oppervlakte: verwijten van 'kolonialisme' van Cubaanse zijde, toespelingen op een voortijdig einde van het socialisme op het Caraibische eiland van Spaanse zijde.

Ruzie met Spanje, met het Spanje van de socialist Felipe Gonzalez, lijkt het laatste dat Fidel Castro zich op dit ogenblik kan permitteren. Spanje vormt voor Latijns Amerika de brug naar de Europese Gemeenschap.

Meer dan eens heeft Gonzalez bemiddeld ten gunste van de regering van Fidel Castro, met wie de Spaanse premier ook een goede persoonlijke verhouding had. In feite is Madrid een van de weinige goede vrienden die Cuba heeft overgehouden, nadat vorig jaar in het ene na het andere socialistische 'broederland' het oude regime verdween en daarmee de ijzeren solidariteit met de armlastige, socialistisch geregeerde ontwikkelingslanden.

In zijn toenemende isolement is Cuba meer nog dan voorheen teruggeworpen op bijstand uit de Sovjet-Unie, die onder andere olie levert (op het ogenblik tegen prijzen die zelfs boven die van de wereldmarkt liggen) en suiker afneemt (al jaren tegen prijzen die ver boven die van de wereldmarkt liggen). Maar ook de Sovjet-Unie is geen garantie meer voor overleving van het socialisme in Cuba. Onder Amerikaanse druk lijkt Moskou weinig moeite meer te hebben met de vraag aan welke economie voorrang moet worden gegeven: die van Havana of de eigen economie. Een scenario van snel afbrokkelende Sovjet-hulp dicteert verdere economische achteruitgang in Cuba en uiteindelijkde val van Fidel Castro en de zijnen.

Maar niet gezegd is dat dit een valide scenario is. Cuba is Albanie niet; de vergelijking met elk ander socialistisch geregeerd land gaat al snel mank. Ondanks zijn eigenzinnigheden, zijn belegen revolutie en, ontegenzeglijk, de repressie in het land is Fidel Castro de Lider Maximo zelfs nu nog populairder dan enige andere leider van een socialistisch geregeerd land ooit is geweest, inclusief Gorbatsjov. Voor veel Cubanen geldt: Castro is misschien een schoft, maar hij is wel onze schoft. De Latijns-Amerikaanse soevereiniteitsfixatie geldt voor Cuba in versterkte mate. De angst voor een mogelijke (Amerikaanse) invasie is reeel. En ondanks de achteruithollende economie hebben de Cubanen nog steeds een betere levensstandaard dan miljoenen anderen in Latijns Amerika. Van een georganiseerde binnenlandse oppositie is nauwelijks sprake.

Toch lijkt verandering onafwendbaar. De revoluties in Oost-Europa, de druk van de Verenigde Staten (en nu ook van Spanje en dus Europa), de verslechterende economie: dat alles kan zijn uitwerking niet missen. Heel voorzichtig heeft de voorbereidingscommissie voor het partijcongres volgend jaar al enige voorstellen tot 'politiekeen institutionele verbetering' gedaan. Volgend jaar wordt de koers tot de volgende eeuw ingezet. Tenzij morgen al de druk op Fidel Castro te groot zal blijken te zijn.