Vakantie!

Heel Nederland stortte zich zaterdag in het vakantieverderf en de resultaten mochten er zijn: drie doden, een aantal gewonden, files van zestig kilometer. In Zeeland zijn al toeristen gesignaleerd die hun tent gewoon naast de file opzetten: een ideale combinatie van vrij kamperen en vrij parkeren. Het NOS-Journaal vroeg commentaar aan allerlei verkeersorganisaties, maar ze waren onbereikbaar met vakantie. De volgende dag bleek toch nog ergens een meneer van Veilig Verkeer Nederland te zijn opgepiept, die meteen alle hardrijders achter de tralies wilde stoppen. Sinds Harry van den Bergh daar de baas is, zijn het fatsoensrakkers geworden: Harry's eigen inhaalmanoeuvre. De heer Gualtherie van Weezel, Tweede Kamerlid van het CDA, liet er ook nog in enkele, zoals bij hem gebruikelijk, grammaticaal gedrochtelijke zinnen zijn licht over schijnen. Hij was niet tegen de suggestie van de VVN, maar hij kon er verder nog niet te veel over zeggen. Waarna hij de magische formule uitsprak die Nederland nu al weer enkele weken in haar ban houdt: 'Na de vakantie moeten we hierover een beslissing nemen.' Na de vakantie. Onlangs stond ik met enkele kantoormannen in een lift.

Zij behandelden een probleem waarvan ik de portee niet begreep, maar dat, te oordelen naar de stand van hun mondhoeken, niet voor een snelle oplossing in aanmerking kwam. Nadat de lift tot stilstand was gekomen, zei een van hen: 'Ik denk dat wij deze zaak beter over de vakantie kunnen heentillen'.

Zijn suggestie had niet in vruchtbaarder bodem kunnen vallen. 'Dat is veel beter', knikte zijn collega, 'want in september is immers ook Karel weer terug.' Deze dialoog beheerst in ontelbare varianten het maatschappelijk leven. De vakantie biedt ons een schitterend alibi: zij ontslaat ons tijdelijk van onze verplichtingen zonder ook maar de schijn van luiheid op ons te laden. We hebben ons kapot gewerkt, een jaar lang, mogen we nu even... Dat appel verdraagt geen tegenspraak. Het is te vergelijken met de situatie van iemand wiens partner hem ontvallen is: zo iemand gun je de tijd om op adem te komen.

Maar de mens is nu eenmaal slecht en tot elke vorm van lamlendigheid geneigd, zodat je ook jezelf al snel op een overdreven gebruik van dit alibi betrapt. Voorbeeld: je hebt geen zin in een spoedige afspraak, evenmin als je gesprekspartner, maar je durft het elkaar niet te laten merken. Gelukkig is de tweede helft van juni ingegaan, zodat een fors uitstel tot de mogelijkheden behoort. Deze situatie moet volledig worden uitgebuit. 'Zullen we dan maar over twee weken... ', zeg je voorzichtig. 'Eerder kan ik echt niet.' De ander bladert bezorgd in zijn agenda. 'Wat jammer nou!' roept hij.' Dan ben ik met vakantie! Maar ik ben eind juli terug. Zullen we dan... 'Hier loos je een zucht van ontgoocheling. En terwijl je de jubeltonen uit je stem filtert, zeg je bijna met ergernis: 'Het komt verdomd slecht uit, maar ik ga eind juli zelf weg.'

'Lang?' 'Maandje.' Het moet terloops, maar onwrikbaar klinken. Vervolgens wordt met vereende krachten de blijdschap over deze gunstige afloop onderdrukt, waarna ieder zijns weegs gaat met een vaag: 'We bellen nog!' Dat wordt oktober de herfstvakantie en met een beetje geluk haal je het Kerstreces zonder kleerscheuren. Komt tijd, komt raad. Wie dan leeft, die dan zorgt. Manana.

Er zijn al mensen (en organisaties: zie ons omroepbestel) die hun vrije dagen en vakantieperioden met zoveel strategisch vernuft over het jaar hebben verspreid, dat zij nimmer op hun plichten kunnen worden aangesproken. Hun arbeidzame leven is een groot alibi geworden. Soms krijg je hen door een ongehoord toeval bijna te pakken, maar dan rijst het zojuist aangebroken lunchuur als een loodrechte muur voor je op. Het lunchuur is het enige uur in Nederland dat twee uur duurt vergeet het dus verder maar. Als alles meezit, kun je zulke mensen nog wel eens ontmoeten in een smerig washok op een camping aan de Adriatische Zee. Ze zwaaien uitbundig met hun washandje naar je, terwijl ze roepen: 'We spreken af dat we niet over het werk praten!'