Tunnelramp in Mekka leidt alsnog tot heftig debat Turks parlement

ISTANBUL, 23 juli Het Turkse parlement heeft eind vorige week zijn zomerreces onderbroken voor een debat over de ramp bij Mekka op 2 juli, waarbij ten minste 1.500 pelgrims om het leven kwamen, onder wie circa vijfhonderd Turkse. In een tunnel die voert naar de plek waar men, als onderdeel van de ceremonie bij de pelgrimage, de duivel met steentjes moet bekogelen brak paniek uit nadat ventilatie en licht waren uitgevallen. In het tumult werden pelgrims vertrapt of raakten verstikt.

Het debat was afgedwonen door de twee oppositieleiders, de rechtse Suleyman Demirel en de linkse Erdal Inonu, die al kort na de ramp waren gekomen met beschuldigingen tegen niet alleen de Saoedische autoriteiten maar ook de Turkse regering. Deze laatste zou van grote indolentie hebben blijk gegeven. Bijna alle ministers hadden hun vakantie ter gelegenheit van het Offerfeest, het grootste islamitische feest, dat dit jaar een hele week opslokte voortgezet, evenals president Ozal, die aan het gebeurde in het geheel geen aandacht besteedde. Zijn broer Korkut onderhoudt nauwe financiele en religieuze betrekkingen met Saoedi-Arabie.

De enige minister die na de ramp in Ankara was te vinden was de tweede man van de regering, Mehmed Kececiler, tevens leider van de fundamentalistische vleugel van de regerende Moederlandpartij. Hij bleek de uitleg van Riad, als zou de ramp het produkt van voorbeschikking zijn en zouden de slachtoffers toch al ten dode zijn opgeschreven, goeddeels bij te vallen. Een andere minister van staat, Semil Cicek, was kort daarop naar de plek des onheils gereisd, maar stuitte op Saoedische weigeringen om gegevens te verstrekken over de Turkse doden, wier bezittingen ook niet werden vrijgegeven.

Minister Cicek kwam tijdens het debat uitvoerig aan het woord en hij keerde zich tegen de opvatting dat de ramp een uitvloeisel van 'takdir' (predestinatie) zou zijn. 'Wij in Turkije geloven in God en in het lot. Maar in de Koran staat: Eerst voorzorg, daarna berusting.' Demirel vroeg zich af waarom er dit jaar geen Turkse delegatie van de Rode Halve Maan de pelgrims had begeleid en waarom er dit jaar zo weinig aandacht van de Turkse staatsmedia voor de 'haj' (pelgrimage) was geweest 'Was dat soms omdat een zeker iemand deze keer niet meeging?' Hij bedoelde president Ozal, die met zijn vrouw twee jaar geleden naar Mekka was gegaan en toen doorlopend het doelwit was geweest van de Turkse televisie.

Turkse kranten beschreven de haj dit jaar met koppen als 'Van fiasco tot catastrofe'. Met fiasco werd gedoeld op het feit dat van de 130.000 Turken die zich dit jaar hadden aangemeld en al maanden geleden bij het departement van religieuze zaken hadden betaald, bij nader inzien slechts 55.000 door de Saoedische autoriteiten werden toegelaten: eenduizendste van de bevolking, en in de praktijk waren dat degenen die per vliegtuig konden reizen. De anderen kregen hun geld, ontwaard door de hoge inflatie en na aftrek van onkosten, terug.

Ook deze gang van zaken werd tijdens het parlementsdebat gekritiseerd door Demirel en Inonu, die voorts scherpe kritiek had op het feit dat dit jaar tien Turkse provincieprefecten, onder wie die van Ankara, en enkele commissarissen van politie, onder wie die van Istanbul, op uitnodiging van de Saoedische regering aan de pelgrimstocht hadden meegedaan. 'Zo'n reis naar Mekka betaal je uit eigen zak', zei hij. Hij waarschuwde tegen de verplichtingen die uit het aannemen van zulke uitnodigingen voortkomen.

Enkele kranten menen de eerste symptomen van zulke verplichtingen al in de Turkse hoofdstad Ankara waar te nemen.

Daar werden kort na de haj de alcoholbeperkende maatregelen plotseling verscherpt. Zelfs restaurants bij de 'Boerderij van Ataturk', waar de stichter van de Turkse republiek zo graag een of meer glaasjes raki dronk, bleken het consigne te hebben gekregen geen alcohol meer te schenken. Er was in het park een kleine moskee gebouwd en volgens de voorschriften mag er binnen honderd meter van zo'n gebouw niet worden geschonken. Daags daarop kwam de verduidelijking dat het verbod alleen nieuwe zaken gold, niet de restaurants die al een tapvergunning hadden. Nieuwe vergunningen worden evenwel haast niet meer verstrekt.