Norm of voetzoeker?

DE VADERLANDSE POLITIEK ontbeert een norm. Een geijkte maat waar aan ideeen, voorstellen, plannen en uiteindelijk wetgeving moeten voldoen om voor de burger (straks weer kiezer) herkenbaar te blijven. Een dergelijke norm moet wel kunnen worden bijgesteld, maar dan moet dit scherp en met redenen omkleed worden aangegeven. De grondwet komt in gedachten, maar die wordt hier niet bedoeld. Het gaat om de praktische inrichting van de maatschappij in al haar geledingen, om de economische groei, het sociale verlengstuk daarvan en de voor beide categorieen voorwaarden scheppende voortdurende modernisering van de infrastructuur (verkeer, communicatie, leefomgeving, onderzoek en onderwijs). De wijze waarop en de mate waarin het bestuur op deze terreinen effectief en efficient kan optreden, behoren niet op de laatste plaatsen te komen.

Dat de politiek zelf de behoefte aan normering voelt blijkt van tijd tot tijd. In de herinnering komt de toespraak van premier Lubbers in Noord-Scharwoude (1987) waarin hij de samenleving van een tekort aan moraliteit betichtte. De kritiek was ernaar: de politiek moest maar een snaar zichzelf kijken. Een andere norm, in zijn toepassing mogelijkop gespannen voet verkerend met Lubbers' verlangen naar algemeen verantwoordelijkheidsgevoel, was de zogenoemde Bert-norm. De toenmalige fractievoorzitter van het CDA, Bert de Vries, stelde, eveneens in 1987, dat minimaal zestig procent van het nationale inkomen ten goede moest blijven komen aan de collectieve uitgaven. Dergelijke normen geven de buitenwacht houvast, juist ook als zij niet worden gehaald. Men kan er de resultaten van de politiek van alledag aan afmeten.

MET ZIJN RECENTE beschouwing in het partijblad van het CDA lijkt fractievoorzitter Brinkman eveneens op zoek te zijn gegaan naar een norm. Hij zoekt zijn maat niet, zoals Lubbers destijds, in de samenleving als geheel, evenmin, zoals de Vries, in het collectivisme.

Brinkman is het opgevallen dat 'Den Haag' eigenlijk een poel van bestuurlijk bederf is. Dat de ambtenaren en de politiek daar te veraf staan van wat er feitelijk gebeurt. Dat de regelgeving als gevolg daarvan te dikwijls aan haar doel voorbijschiet. Als het maar even kan moet de beslissingsmacht worden gedelegeerd, aan de lagere overheid en aan aanpalende beslissers op regionaal en lokaal niveau. Niet alleen de centrale overheid, maar ook de gecentraliseerde macht in het 'maatschappelijke middenveld', de 'koepels', moet een stevige aderlating ondergaan.

De politiek behoort het verwijt van modieus te zijn te vermijden.

Modieus wil zeggen het lanceren van kortademige probeersels die als meteoren even oplichten, maar vervolgens hun reis in duisternis vervolgen. Dat het begrip politiek nagenoeg identiek is geworden aan het vasthouden van de publieke aandacht door middel van plannetjesvuurwerk, zegt genoeg. De politiek wedijvert met de doorsnee televisie-serie in het vertonen van steeds weer wisselende beeldenreeksen teneinde de zippende kijker en luisteraar bij de les te houden. Indien de diagnose van Brinkman deugt, en daarop wijst het een en ander, zou de politiek zich moeten verplichten tot een diepgaand onderzoek naar de gesignaleerde bestuurlijke onmacht en naar een therapie die daarin verbetering zal brengen. De bekende dooddoener dat de inhoud van het beleid onder alle omstandigheden voorrang moet hebben boven de instrumenten waarmee dat beleid wordt gevoerd, zou bij voorbaat als zodanig moeten worden ontmaskerd.

BRINKMANS INTERVENTIE heeft uiteraard de Haagse ideeenmolen zelfs niet kunnen vertragen. Dat is een voordeel, want zo illustreert de politiek zichzelf. Zo werd dezer dagen de al eerder waargenomen relatie tussen bedrijfsbouw en automobilisme door de betrokken minister naar het niveau van 'werkdocument' getild en zo werd vanuit de Kamer de wenselijkheid uitgesproken om de mislukte snelheidsbeperking toe te rusten met een aanmerkelijk verzwaarde strafmaat. Wat in beide voorbeelden als eerste opvalt is dat het hier opnieuw gaat om pijlen uit het spetterende en kleurrijke vuurwerk aan het Binnenhof.

Want, hoe verhouden dergelijke suggesties zich tot de algemene ingebreke stelling van 'Den Haag' waartoe Brinkman is overgegaan? Moet deze thans niet het eerste en urgentste gespreksthema worden? Of ging het ook de voorzitter van de grootste fractie om het afsteken van de zoveelste voetzoeker, om de harde knal en de penetrante geur die de voorbijganger slechts een moment geschrokken doet opkijken?