Harlings team op zoek naar resten goudschip

TERSCHELLING, 23 juli Goudkoorts is het niet dat de leden van de amateurarcheologische duikclub Caranan uit Harlingen naar de resten van het Engelse marinefregat Lutine doet duiken. In de nacht van 9 op 10 oktober 1799 verging de inmiddels legendarische driemaster met een kostbare lading goud- en zilverstaven (omgerekend naar hedendaagse begrippen ter waarde van ten minste 60 miljoen) tussen Vlieland en Terschelling. Al veertien keer is er sindsdien gezocht naar de schat. Vele vissers haalden in de loop der jaren een deel van de lading naar boven. De laatste keer dat er naar restanten van de Lutine is gedoken was tien jaar geleden. Twee Australiers hadden toen weinig succes. Behalve enkele ijzeren en houten voorwerpen werd er niets gevonden.

De laatste (?) goudstaaf werd in 1936 door een baggermachine naar bovengehaald. In de loop der tijden zijn er behalve tientallen kanonskogels, kanonnen en Spaanse matten ook geweerlopen en potten en pannen opgedoken. Of er nog goudstaven in het zand van de Noordzeebodem liggen is de grote vraag.

Maar daar is het de duikers van Caranan niet om begonnen. Initiatiefnemer A. J. Duijf, oud-zeeman en een verwoed amateur-archeoloog, wilde de laatste gang van het schip reconstrueren en het mysterie ontrafelen. Na jaren studie kwam hij tot de conclusie dat er altijd op de verkeerde plaats naar de scheepsresten van het van oorsprong Franse fregat (La Lutine) is gedoken. Volgens hem is de Lutine tijdens een storm in tweeen gebroken en verging eerst de achtersteven met de ongeveer 200 bemanningsleden en daarna het voorste deel. Tien dagen lang heeft hij nu de plek onderzocht waar de achtersteven in de golven verdween. 'Op die plek vonden we stukjes eikehout, die overeenkomen met het Franse hout waarvan de Lutine gemaakt was.'

Eind van het seizoen hoopt Duijf het anker bloot te kunnen leggen, dat 216 meter westelijker ligt dan het gebied dat nu systematisch wordt onderzocht. Het moet een van de hulpankers zijn die kapitein Lancelot Skinner in de rampnacht uitgooide. 'We duiken niet naar goud', zegt Duijf beslist. 'We willen een rehabilitatie van Skinner. Hem werd kort na de ramp verweten dat hij een andere route had moeten kiezen, toen het weer omsloeg. Maar hij heeft het leven van zijn bemanning met drie uur verlengd. Als je met windkracht elf 's nachts op de gronden vaart weet je dat je schip reddeloos verloren is. Als hij geen anker had uitgegooid was het schip meteen dwars op de golven komen te liggen. Hij heeft dus geen navigatiefout gemaakt, maar juist een moedig staaltje van zeemanskunst getoond', legt Duijf uit. Met name voor Engelsen ligt de ramp met het geldtransport nog steeds gevoelig', weet Duijf. 'Ik trof onlangs op Terschelling bij toeval een nazaat van Skinner, die vroeg waar zijn voorouder begraven lag. Ik zei dat hij op het verkeerde eiland was, omdat de kapitein en twee van zijn officieren op het kerkhof van Vlieland liggen. Hij was meteen vertrokken.'