Europa: van mogelijkheid tot noodzaak

'Om te kunnen voortbestaan moet er sprake zijn van ontwikkeling en derhalve moet men voortdurend vaste gewoonten op losse schroeven zetten.' Andre Fontaine, hoofdredacteur van Le Monde, gaf onlangs in zijn krant een visie op de ontwikkeling van het oude Europa naar een mogelijk en noodzakelijk nieuw Europa.

We weten niet zo goed waar we heen gaan, maar het startsein isgegeven. Het zou riskant zijn om te beweren dat we meer details over de huidige stand van zaken van de Europese eenwording kunnen geven.

Opgezweept door de snelheid waarmee Oost-Duitsland door zijn grote broer, de Bondsrepubliek, wordt opgeslokt, hebben de twaalf lidstaten van de EG in Dublin weliswaar besloten om het tempo te verhogen, maar ze zijn het wederom alleen nog maar eens geworden over de procedure. Aan de conferenties, in december in Rome, de taak om gestalte te geven aan enerzijds de Economische en Monetaire Unie (EMU), waarvan al tijdens de regering van Pompidou was beloofd dat deze voor 1980 zou worden opgericht, en anderzijds een nog niet duidelijk omlijnde politieke unie.

Laten we niet afgeven op die manier van werken. Door voortdurend bijeenkomsten op te dringen is men er uiteindelijk in geslaagd om het 'europessimisme' dat vroeger in zwang was de kop in te drukken. De Economist schrijft hierover: 'Als men twee jaar geleden over de EMU sprak, werd men niet serieus genomen. Maar degenen die twijfelen of het nu wel het juiste moment is, worden beschouwd als bekrompen chauvinisten.'

Dit is duidelijk niet in de laatste plaats te danken aan de vaste overtuiging en de hardnekkigheid van Jacques Delors. Het feit dat hij opnieuw is benoemd als hoofd van de Commissie is tekenend.

In ruil hiervoor heeft hij als eerste gezegd dat, nu er sinds de top in Dublin een begin is gemaakt met het naar hem genoemde plan ter verwezenlijking van de EMU, men antwoord moet geven op een aantal specifiek politieke vragen zoals: zal de Unie een 'unieke' of om premier Thatcher een plezier te doen alleen maar een 'gemeenschappelijke' munteenheid krijgen? Wat zal de rol zijn van de verschillende regeringen en instellingen van de EG bij het bepalen van het economisch beleid? Wat zal er gebeuren met de emissiebanken en in de eerste plaats met de almachtige Bundesbank? Dat dergelijke vragen kunnen worden gesteld bewijst dat het scala van mogelijkheden kleiner wordt. Dit kan niet worden gezegd met betrekking tot de politieke unie. Het is namelijk niet voldoende om, zoals Roland Dumas onlangs nog heeft gedaan, zich te beroepen op de beroemde, ofschoon wat onduidelijk geformuleerde 'subsidiariteitsregel', die voorschrijft dat de betrokken unie 'uitsluitend die bevoegdheden moet krijgen die zij beter kan uitoefenen dan de lidstaten dat afzonderlijk kunnen'.

Men moet op een gegeven moment het beestje bij de naam noemen en aangeven wat niet meer en wat nog steeds onder het nationale gezag zal vallen.

Hiermee raken we de kern van de zaak. In het prille begin van de Europese eenwording, toen de Koude Oorlog nog in volle gang was en er slechts sprake was van een politiek van 'containment' tegenover de Sovjet-Unie, maakte Robert Schuman er geen geheim van dat een van de belangrijkste doeleinden van zijn op de Europese integratie gerichte beleid was om diezelfde politiek te bedrijven ten aanzien van Duitsland.

De Bondsrepubliek was echter een paar maanden eerder ontstaan op een van de grootste puinhopen uit de geschiedenis en zij was er nauwelijks beter aan toe dan een clochard, die net uit zijn roes aan het ontwaken is. Als men haar toen al in 'containment' moest houden, geldt dit eens te meer nu de Bondsrepubliek haar economische triomf bekroont door de DDR zonder slag of stoot te annexeren.

Dit succes is Helmut Kohl tot op heden nog niet naar het hoofd gestegen, want hij probeert zijn naburen gerust te stellen door steeds vaker te spreken over zijn land dat moet worden 'gebonden' en 'een Europese pet moet opzetten'. Vandaar de herleving van het idee van een Verenigde Staten van Europa, voor de oprichting waarvan Jean Monnet ooit een 'actiecomite' heeft opgericht waarin talrijke Europese politici zitting hadden, van Giscard d'Estaing tot Willy Brandt en Edward Heath. Hoewel Francois Mitterrand al sinds jaar en dag Europeaan is heeft hij nooit met dit comite ingestemd: waarschijnlijk wilde hij voorbijgaan aan de rampzalige theologische controverse tussen 'maximalisten' en 'minimalisten'. Blijkbaar is hij van mening veranderd, want in Dublin sprak hij voor het eerst over de 'federale doelgerichtheid' (finalite federale) van de politieke unie en wees hiermee op hetgeen ongetwijfeld het oorspronkelijke streven van de gemeenschappen is geweest met hun scheiding van de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht die in grote lijnen is geinspireerddoor het Amerikaanse model.

Het vooruitzicht op een vereniging van de twee Duitslanden, waarin hij aanvankelijk niet geloofde en die hij klaarblijkelijk ook niet wenste, speelt hierbij waarschijnlijk een rol. Na eerst erop te hebben gerekend dat Gorbatsjov deze ontwikkeling in elk geval zou vertragen heeft hij echter moeten inzien dat de feiten nu eenmaal waren zoals ze waren en dat het enige dat Frankrijk kon doen, wilde het een Duits Europa vermijden, was om steun te betuigen aan de inspanningen van al diegenen die in navolging van de bondskanselier en zijn vriend Delors vechten voor een Europees Duitsland: een Duitsland welks macht zodanig is beperkt dat het risico dat het Europa zal overheersen tot het minimum is teruggebracht.

De 'confederatie' waarover zoveel gesproken is sinds de lang vervlogen tijd van het 'Plan-Fouchet' (1962), is beslist niet bindend genoeg om dit te kunnen waarborgen. Monnet zei terecht dat er nooit meer dan twee confederaties hebben bestaan: confederaties die federaties zijn geworden (zoals de Verenigde Staten en Zwitserland, hoewel dit laatste land zijn oorspronkelijke naam heeft behouden) en confederaties die op niets zijn uitgelopen.

De geschiedenis van de Europese gemeenschap laat zien dat het niet irreeel hoeft te zijn om te wedden op de eerste van de twee genoemde mogelijkheden. Want het voorbeeld van een confederatie waarbij in de ministerraad met een gekwalificeerde meerderheid wordt gestemd over belangrijke kwesties en waarbij het Europese recht geldt boven het nationale recht, vertoont in vele opzichten reeds federalistische trekjes.

Toch is de Europese gemeenschap absoluut geen federatie geworden. Zou dat komen door gebrek aan een 'federatiebouwer' die in de ogen van De Gaulle onmisbaar was? In de Sovjet-Unie berust of berustte deze taak zowel bij de Communistische Partij als bij de Russische natie waarvan Stalin zelf, hoewel hij uit Georgie kwam, na de oorlog de rol in deze verheerlijkte. In de Verenigde Staten wordt deze taak vervuld door de 'WASP', de groep blanke Angelsaksische protestanten die met uitzondering van de ongelukkige John F. Kennedy alle presidenten heeft voortgebracht. En dan nog is er in beide gevallen een verschrikkelijke burgeroorlog nodig geweest om het gezag van de federatie duurzaam te vestigen.

Hoe het ook zij, het lijkt enigszins paradoxaal om het begrip 'federatie' opnieuw aan de orde te stellen, juist op het moment dat het federale systeem in de Sovjet-Unie, in Joegoslavie en in Canada een ernstige crisis doormaakt, alsof het behalve in Zwitserland natuurlijk slechts kan functioneren wanneer er sprake is van een grote culturele homogeniteit (zoals in Duitsland, Oostenrijk, Australie, Argentinie en Brazilie) of van een hegemonie die machtig genoeg is om niet te worden betwist. Hierin schuilt de moeilijkheid voor Europa, want er is geen denken aan dat het de culturele diversiteit zou opgeven waaraan het zijn specifieke karakter en bekoring ontleent of dat het, nu het dubbele protectoraat dat uit de puinhopen van das Reich was ontstaan uiteindelijk wordt opgeheven, wat voor nieuwe hegemonie dan ook zou aanvaarden.

Voor een ingewikkeld probleem zou men graag een eenvoudige oplossing willen aandragen. Men meent te hebben aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden slechts een simpele oplossing mogelijk is.

Misschien kunnen we nochtans de aandacht vestigen op enkele vanzelfsprekende zaken:

a) Nooit is een sociale groep of het nu een familie, een stam, een onderneming of een natie betreft dank zij een geraffineerde juridische constructie vrijgesteld van de noodzaak om zijn voortbestaan zeker te stellen.

b) Om te kunnen voortbestaan moet er sprake zijn van ontwikkeling en derhalve moet men voortdurend vaste gewoonten op losse schroeven zetten. Als men alleen maar wil behouden wat met heeft, zal het verschijnsel slijtage onvermijdelijk, onder invloed van concurrentie van buitenaf, doorwerken op de 'verkregen rechten', ongeacht de theoretische garanties die men heeft weten te bemachtigen.

c) Eendracht maakt macht: meer dan ooit worden de Europese landen door hun geografische en demografische omvang gedwongen de handen zoveel mogelijk ineen te slaan en zo het hoofd te bieden aan de talloze uitdagingen van buitenaf, of ze nu uit het rijke of uit het arme deel van de wereld komen.

d) Er bestaat binnen de Europese gemeenschap nog veel te veel overlapping, concurrentie en achterhaald wantrouwen, hetgeen geen van de lidstaten ten goede komt. We hoeven alleen maar te denken om een van de vele voorbeelden te noemen aan de al dan niet functionele controle van het luchtruim. Door die gebieden waarin het vasthouden aan het nationale gezag ruineus en achterhaald is, een voor een onder de loep te nemen zal men de eenwording van Europa kunnen bevorderen.

e) De spectaculaire machtstoename van de verliezers van de Tweede Wereldoorlog tegenover imperia, die als gevolg van de wapenwedloop in het ene geval een vermoeide en in het andere geval een uitgeputte aanblik bieden, relativeert het belang van de militaire component in de internationale concurrentie. Er is alle kans dat deze bevinding in toenemende mate haar weerslag zal hebben op de publieke opinie en dus een remmende invloed zal uitoefenen op hetgeen men kan verwachten van een omschakeling van de NATO, naast een zieltogend Warschaupact, tot een macht die het Europese evenwicht zal kunnen waarborgen. Vroeg of laat zal de veiligheidsproblematiek binnen een continentaal kader moeten worden aangesneden.

f) In het verleden is militaire macht al te vaak ten dienste gesteld van vooral nationale economische ambities. Een van de voordelen van de grote markt van 1993 zou juist moeten zijn dat een dergelijke inzet wordt gedenationaliseerd en dat de spelers in de Europese competitie meer en meer als partners betrekkingen aanknopen waardoor de rivaliteit tussen de staten zal afnemen. De monetaire unie volgt natuurlijk dezelfde lijn. En de technische vooruitgang doet de rest. Want zoals Jean-Rene Fourtou, de topman van Rhone-Poulenc, heeft opgemerkt: de strijd om de grondstoffen, die volgens de klassentheorie van Lenin de basis vormde voor het imperialisme, heeft geen bestaansgrond meer als men in geval van schaarste zeer snelvervangende produkten kan fabriceren.

g) Er moet niets worden gedaan wat de indruk zou wekken dat de Europeanen in wat voor opzicht dan ook wordt gevraagd om afstand te doen van hun nationale identiteit die eerst en vooral en dat kan niet genoeg worden gezegd een culturele identiteit is. Vooringenomenheid, wantrouwen, minachting in een woord egocentrisme moeten worden bestreden. Maar men verloochent niet de ene gemeenschap wanneer men eveneens deel uitmaakt van een andere. Men kan immers heel goed Algerijn, Marokkaan of Tunesier zijn en zich tegelijkertijd Maghrebijn, Arabier, Mohammedaan, Afrikaan of bewoner van de Derde Wereld voelen en zich als zodanig profileren.

h) Het risico van een nieuw imperialisme zal nog sterker worden teruggebracht als Europese instellingen in een democratisch jasje zullen worden gestoken en als in het bijzonder de rol van het Europese parlement, de enige instelling die nog geen wetgevende bevoegdheid heeft, zal worden uitgebreid.

i) Net zo goed als de Europese Gemeenschap Spanje, Portugal en Griekenland heeft opgenomen, toen die landen zich eenmaal aan de dictatuur hadden ontworsteld, zal zij zich evenmin als zij dat ten aanzien van Oostenrijk en Turkije doet, niet oostindisch doof mogen houden voor de verzoeken van landen die het communistische juk van zich hebben afgeschud.

Deze opsomming mag slaapverwekkend lijken, al is zij verre van uitputtend. Maar zij was zonder twijfel nodig om het niet te laten bij theorieen en holle frasen, maar een beeld te ontwerpen van een mogelijk Europa, bij gebrek waaraan het noodzakelijke Europa per slot van rekening het risico zal lopen een doodgeboren kind te blijken.

11 mei 1950: Frankrijks minister van buitenlandse zaken Robert Schuman bezoekt Londen voor overleg met zijn Britse en Amerikaanse collega's. (Foto: ANP)