Ypke Gietema, de laatste socialistische bouw-wethouder; 'De PvdA is een partij van volhouders geworden'

Drs. Ypke Gietema (48) is wethouder Ruimtelijke Ordening, Volkshuisvesting, Stadsvernieuwing en Cultuur in Groningen. Hij is al ruim tien jaar een van de meest omstreden socialistische wethouders van Nederland. Zijn hang naar monumentale bouwwerken wordt gelaakt, zijn sociale woningbouw geprezen. Thans opereert Gietema in de schaduw van een enorme verkiezingsnederlaag. Er wordt aan zijn troon geknaagd.

Portret van een geschrokken stadsbestuurder. 'Het is voor mij een ontzettende opdonder geweest. ''Je kunt geen dag weg', zegt hij met een kort lachje als 'de coup' ter sprake komt. Ypke Gietema was begin juni nog maar net met vakantie toen de plaatselijke pers wist te melden dat zijn dagen alswethouder van Groningen waren geteld. Samen met collega-wethouder Westerhoff zou hij door het PvdA-afdelingsbestuur ten val zijn gebracht - drie weken nadat het college van B en W aan een nieuwe termijn was begonnen.

In een commentaar nam het Nieuwsblad van het Noorden al bijna afscheid van de man die driemaal lijsttrekker van de PvdA in Groningen was: 'Als gezichtsbepalende factor van de Groninger PvdA is er veel kritiek geweest op Gietema. Vooral zijn stijl van besturen riep somsvragen op. Op een ongepolijste intelligente manier banjert hij soms doorporceleinkasten heen.

Dat geeft kleur en dat geeft smaak aan de plaatselijke politiek. Wat dat betreft is het zonde dat Groningen zich aanpast aan de landelijke trend van rimpelloze bestuurders.' Gietema, als zoon van een predikant in Friesland opgegroeid, is het prototype van de machtige sociaal-democratische bestuurder die in de jaren tachtig de PvdA in de grotere steden representeerde. Hij kwam als student sociologie naar Groningen en belandde halverwege de jaren zeventig in de plaatselijke politiek. Hij is minstens zo omstreden als ex-collega's als Adri Duivesteijn (Den Haag) en Martin van Meurs (Arnhem).'

De verpersoonlijking van het politieke kwaad in de stad', noemde het Nieuwsblad van het Noorden hem, nog voordat de PvdA ook in de stad Groningen dit jaar een vernietigende verkiezingsnederlaag leed: de partij moest terug van achttien naar elf zetels. In een profiel schreef de krant: 'Anekdotes en mythes over zijn avonturen in het Groninger nachtleven en geruchten over nooit aangetoonde malafide relaties met projectontwikkelaars zijn talrijk en plagen de wethouder.' Maar vriend en - soms zelfs - vijand zijn het erover eens dat Gietema als wethouder van Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting veel tot stand heeft gebracht in Groningen. Er is opmerkelijke sociale woningbouw gekomen (met als interessantste voorbeeld de nieuwe wijk Corpus den Hoorn Zuid) en er zijn grote (en hoge) projecten gerealiseerd, zoals het PTT-gebouw van Van Gool bij het station, de flats van Koolhaas op de Brink en het Casino op het Kattendiep.

Op zijn werkkamer in het stadhuis monstert de wethouder me vriendelijk, maar waakzaam met zijn staalblauwe ogen. Zijn spreektrant doet enigszins denken aan die van zijn al even omstreden voorganger, Max van den Berg, die hij in 1978 als wethouder opvolgde. De toon is nogal vlak en moeilijke klippen worden omzeild in haastige, binnensmonds uitgesproken bijzinnen. Maar achter elke uitspraak schuilt de onverzettelijkheid van iemand die zich bewust is van zijn invloed.

Hij verzekert me dat zijn positie geen gevaar loopt. Voorlopig zal hij aanblijven als wethouder. Het afdelingsbestuur heeft formeel tegengesproken dat men van hem en van collega Westerhoff afwil. Maar hetis toch zonneklaar dat een stroming hen wil lozen?' Dat vermoed ik ook', bromt hij. 'De PvdA is in verwarring geraakt door de verkiezingsnederlaag: niet alleen hier, maar in diverse steden. Die verwarring is nog steeds niet geeindigd. De nederlaag is voor de partij een dreun die nog lang zal nagalmen.' De PvdA-fractie in Groningen heeft na de verkiezingen geconstateerd dat de wethouders de afgelopen periode behoorlijk hebben gefunctioneerd en dat er geen reden is hen af te danken. Ook de ledenvergadering wilde geen personele consequenties aan de nederlaag verbinden, al bleek bij een stemming dat er ook tegenstanders waren.'

Met onbedoeld understatement voegt hij eraan toe: 'Ik ben nu eenmaal niet onomstreden.' Gietema laat desondanks doorschemeren dat hij deze zittingsperiode als wethouder niet zal voltooien. 'Ik heb ruim voor de verkiezingen aan het afdelingsbestuur meegedeeld dat dit mijn laatste periode wordt. Als vertrekkende lijsttrekker is het goed om je opvolger kansen op profilering te geven. Daarom vertrek ik misschien iets eerder.'

Vastberaden: 'Maar het is dan wel mijn beslissing.'

Is het wel zo verstandig nog langer aan te blijven? U beroept zich op defractie, maar er is toch een leger van kiezers dat u als lijstrekker heeft laten vallen?' De nederlaag heeft niet alleen in Groningen, maar ook in andere steden plaatsgevonden. Bovendien vind ik dat een terechtwijzing door de kiezers niet altijd hoeft te leiden tot een vertrek uit de politiek. Het maakt me nederig, maar ook vechtlustig - een kwestie van karakter. Je kunt ook zeggen: we gaan het beter doen.' Hoe heeft u die enorme nederlaag ondergaan? Geemotioneerd: 'Het was verschrikkelijk. Het is voor mij een ontzettende opdonder geweest. 'Uw verlies lag nog hoger dan het landelijk gemiddelde: een onrechtvaardige straf?' Eerlijk gezegd: ja. Ik vind het niet erg verdiend, gezien alles wat we ge daan hebben. We zijn hier op alle fronten - niet alleen op datvan de bouw - zeer actief geweest. 'Heeft u er een verklaring voor?' We hadden 18 van de 39 zetels en we deden samen met het CDA het dagelijks bestuur. We gedroegen ons zelfbewust - we wisten wat we wilden - en dat heeft tot harde discussies met andere partijen geleid. Als er conflicten in de samenleving ontstaan, word je daar als grote partij snel een soort personificatie van.' Dan speelt er ook nog iets abstracters: de individualisering in de samenleving. De PvdA staat voor solidariteit, voor beschermingvan het publieke goed - een doelstelling die niet meer zo aanspreekt.' Wij zijn er niet in geslaagd om datgene wat wij op stedelijk niveau deden, iets van legitimiteit te geven. De mensen voelden zichkennelijk door ons in de steek gelaten.' U doelt nu vooral op de grote bouwprojecten waar ook Groningen zich op stortte?'

Ja. Men heeft gedacht: daar wordt dan wel veel in geinvesteerd, maar rond mijn huis zijn een hoop problemen waar niets aan gebeurt. Wij hebben inderdaad de afgelopen vier, vijf jaarveel moeten bezuinigen op onderhoud. Daardoor ontstond een zekere mate van verwaarlozing van de openbare ruimte. Ik ben zelf erg geschrokken bij een werkbezoek vlak voor de verkiezingen aan de wijk Oosterpark, waar een hoog percentage van onze kiezers zit. Ik merkte hoede overlast van de drugsproblematiek daar een rol speelde. Het gevoel van onveiligheid was manifest, de mensen waren ontmoedigd. Als gemeentelijke overheid zijn we er niet in geslaagd dergelijke verschijnselen voldoende te attaqueren.' Er bestaat een brief uit 1987 van de Groninger Maarten Schalij, waarin deze aan het afdelingsbestuur van de PvdA uitlegt waarom hij niet langer lid van dit bestuur wil blijven. Hij constateert dat er geen open discussieklimaat in de afdeling heerst, vooral niet op hetbeleidsterrein van Gietema. 'Aan het overleg met partijgenoten (maar evenzeer naar buiten toe, wijkraden etc.) wordt praktisch gezien niet meegewerkt. Deelnemende leden lopen bij voortduring tegen een aaneenschakeling van (machts)spelletjes op.' De houding van Gietema c.s. zou volgens Schalij drie gevolgen hebben: 1.het beleid blijft onbegrepen en verliest draagvlak; 2. Het overleg draagt niet of nauwelijks bij aan de kwaliteit van het beleid; 3. Versterking van de naar binnen gerichte partijcultuur: 'Het trekt mensen aan die van het politieke steekspel houden, maar het stoot mensen af die daar geen genoegen aan beleven, maar inhoudelijkmee willen denken.' Voorwaar, profetische woorden.

Ik houd ze Gietema voor en voeg eraan toedat ook zijn tegenstanders in de gemeenteraad hem afschilderen als iemand die keihard zijn wil doordrijft. Zijn gedrag in de raad zou arrogant zijn: de krant lezen of weglopen als tegenstanders aanhet woord zijn.' Hebt u ook nog met medestanders gesproken?' vraagt hij snel. 'Als ik zo'n opsomming hoor, is mijn eerste opwelling om te zeggen: het is niet waar. Desondanks: die geluiden zijn er. Ik vind ze niet leuk en voor een groot deel ook onrechtvaardig.' Wat betreft mijn gedrag in de raad: de suggestie kan ontstaan dat dit mijn dagelijkse gedrag is. Dat is niet waar. Ik luister in raadscommissies heel oplettend naar bij voorbeeld Groen Links. Maar als men zich te veel herhaalt, wordt het me wel eens te machtig. Dan hebik de neiging om wat te plagen of een hard antwoord te geven.' Dan toch een royalere poging tot zelfkritiek: 'Ik las onlangs die bijlage van Vrij Nederland over de gemeenteraad van Arnhem. Vreselijk! Daar werd een beeld gegeven dat is terug te vinden in de samenvatting die u nu geeft. Ik kan niet ontkennen dat er parallellen met de Groningse situatie zijn. Bij meer politieke partijen - ook bij de PvdA - is de participatie van de achterban duidelijk geringerdan een aantal jaren geleden. Er wordt ook te veel energie in het politieke circuit als zodanig geinvesteerd. Dat is een gevolg van de wijze waarop we als partij de zaken organiseren: de procedures die we met elkaar afspreken, zijn zeer bewerkelijk.' Kunnen we spreken van een verstopte, lokale democratie?' Formeel is ze niet verstopt. Je kunt op verschillende manieren participeren. Lid worden van de PvdA, deelnemen aan de ledenvergaderingen... 'Maar je kunt de besluitvorming niet wezenlijk beinvloeden.' Dat kan wel, maar er is een buitengewoon uithoudingsvermogen voor nodig. Er is een verstopping opgetreden door de cultuur in de partij.

Het is een partij voor volhouders geworden.' Is bij lokale verkiezingen ook het prive-leven van de lijsttrekker een relevante factor? U bent ook in dat opzicht enkele malen in opspraak gekomen. In 1981 werd u veroordeeld wegens rijden onder invloed, zeven jaar later had u een handgemeen met een vrouw op straat - ook onder invloed.' Dat laatste is niet waar. Dat heeft de rechter ten onrechte gezegd in het proces tegen de dader waarvan ik niet eens wist dat het plaatsvond. Denk niet dat deze dingen aan de orde van de dagzijn, maar het is een feit dat ze blijven hangen en mede je beeld bepalen. Mensen verwachten van politici dat het nette mensen zijn, en daar hebben ze gelijk in. Ik ben niet corrupt, ik heb ook geen leefwijzedie in mijn ogen aanstootgevend is, maar er zijn een paar voorvallen geweest waaruit je zo'n conclusie zou kunnen trekken. Daar is intern ookover gesproken, maar voor het bestuur en de ledenvergadering is het toch geen reden geweest om mij als lijsttrekker te laten vallen.' Wat op de kiezer evenmin een beste indruk zal hebben gemaakt, is uw herhaalde gekissebis met burgemeester (en partijgenoot) Staatsen. Nade verkiezingen sneerde u zelfs in de krant dat hij niet langskwam om met u te praten. Moet dat zo openlijk? Effen: 'De burgemeester ondersteunt de hoofdlijnen van het beleid nadrukkelijk. Hij is geen persoonlijke vriend van me, maar dat kun je ook niet van hem eisen. Ik neem aan dat een burgemeester vlak na zulke verkiezingen die ook voor mij tot zeer lastige situaties leidden, even langskomt om te vragen hoe het ervoor staat.

Dit is een onderdeel van zijn functioneren waar ikmet enige teleurstelling naar kijk.' Gietema is als bouw-wethouder de personificatie van de omslag in het beleid van de PvdA ten opzichte van het bedrijfsleven. In de periode van Max van den Berg en ook in Gietema's eerste termijn - tot 1982 - werden beleggers en projectontwikkelaars zoveel mogelijk op afstand gehouden. Tegenwoordig krijgt Gietema het verwijt dat hij te toegeeflijk is tegenover deze zakenlieden.' In de jaren zeventig ging het de stad economisch heel goed. Max van den Berg maakte zich vooral sterk voor het behoud van de binnenstad.

Die mocht niet gedomineerd worden door de economische functies. Je had een sterk sturende overheid die het investeren in de binnenstad niet gemakkelijk maakte. Maar in mijn periode merkten wijdat de investeringen in de stad vooral gedaan werden door de overheid en semi-overheid, en dat er een enorme groei was in de werkloosheid: boven de dertig procent zelfs.' Toen de rijksoverheid ging bezuinigen, liepen de investeringen in de stad zienderogen terug. We hebben het wat laat ontdekt - dat geldtvoor meer sociaal-democratische bestuurderen - maar toen begrepen wedat er iets moest gebeuren. We hebben met een consistent beleid het vertrouwen van beleggers en particuliere investeerders proberen terug te winnen. Dat was heel lastig. Voor hen waren wij 'die rooie stad'. Intern lag het ook moeilijk. Ik zal nooit vergeten hoe een aantalvan mijn ambtelijke medewerkers schuimbekkend op tafel sprong toen ik aankondigde dat we ons tot het bedrijfsleven zouden wenden. Ze beschouwden het als verraad.' De economische functies zijn zeer belangrijk voor een stad, ze geven de basis aan het stadsleven. Wij waren bang voor het verval van de stad, leegstand, het vertrekken van nog meer bewoners naar buiten en het verdwijnen van bedrijven. Als overheid voelen wij ons in grote lijnen verantwoordelijk voor de inrichting van de stad, maar we hebben duidelijk gemaakt dat anderen zich daarbij kunnen voegen.' Soms is het nog wennen: u noemde sommige beleggers 'kille rekenmeesters'.' Je kunt ze niet over een kam scheren. We hebben inderdaad ook droeve ervaringen gehad met die wereld. Die opmerking werd ingegeven door de houding van het ABP dat met een pennestreek een plan voor een woningbouwcomplex torpedeerde waaraan we drie jaar met ze hadden gewerkt. Dat is het met de voeten treden van iedere norm van maatschappelijk fatsoen.' Met de omslag in het beleid haalde Gietema zich de vijandschap op dehals van die groepen, die juist zo gesteld waren op de kleinschaligeaanpak van Van den Berg. Zoals de Bond Heemschut, de vereniging tot bescherming van cultuurmomenten. Haar secretaris in Groningen, ir. P. Reijenga, is de standvastigste bestrijder van Gietema. In een brochure die de wethouder boos in ontvangst nam, constateert Reijenga 'grootsteedsheid, gewilde originaliteit (...) waarmee de weg naar verder bederf van het aanzien van de stad wordt opengesteld'.

Desgevraagd voegt Reijenga daaraan toe: 'Wij zijn niet tegen grote gebouwen, maar ze moeten zich wel voegen in het stedelijk weefsel. Wat in Groningen gebeurt, is hoogmoedswaanzin. Deze stad is een provinciestad met als vooruitzichten: geen toename van de bevolking, geen economische ontwikkeling.' 'Wat bedoelt men toch met die term: het is maar een provinciestad', peinst Gietema. 'Wij in het noorden moeten juist laten zien dat Groningen niet alleen maar een provinciestad is. Wemoeten meer zelfbewustzijn uitstralen en we moeten helemaal af van die houding van zelfbeklag die hier vroeger zo gebruikelijk was.'

Wat is uw filosofie achter het monumentale bouwen - of vindt u dat een vervelende term?' Ik vind het niet een onaardige betiteling... Maar het is onzin om te denken - wat ook uw krant bij herhaling gedaan heeft - dat de sociaal-democratische wethouders in de steden alleen maar gericht zijn op monumentale, gezichtsbepalende bouwwerken. Een stad herbergt een varieteit aan bouwwerken, in mijn periode is dat niet anders. Maar het gaat niet alleen om de vorm, het uiterlijk, het gaat allereerst om de functies die je er voor de stad mee wilt bewerkstelligen.' Stel je voor dat we in dit nog altijd in bevolking toenemende land op dezelfde schaal zouden blijven bouwen als we vroeger deden! Dan zou de woeker van het verstedelijkte platteland die je nu al in Nederland kunt waarnemen, blijven toenemen. Rij al de rijkswegen maar af - dan zie je vingers van het stedelijk gebied zich uitstrekken. Als stadsbestuur moet je ervoor zorgen dat de functies die voor het stedelijk leven zo belangrijk zijn - universiteit, ziekenhuizen, bepaalde kantoren -, in de stad worden neergezet, want anders verschijnen ze elders. Dat betekent in ons geval dat we op bepaalde plekken aan de rand van de binnenstad intensiever - hoger - moesten bouwen. Verder bouwen we nog steeds woonwijken met eengezinswoningen, maar we zetten ze niet geisoleerd in het weiland. We proberen ze aan de bestaande infrastructuur van de stad te hechten.'

Maar het oog wil ook wat: het PTT-gebouw van Van Gool is interessant, maar het mooie, oude stationsgebouw ernaast dreigt weg te kwijnen.' Dan kijkt u niet goed. Het station staat er nog steeds als een van de mooiste stationsgebouwen van Nederland bij.'

Het duurt alleen een tijdje voor je het ziet, als je het vanuit de stad nadert... 'Dat zicht maken we straks weer beter als we er tegenover in het Verbindingskanaal het Groninger Museum met een brug neerzetten. Dat wordt de looproute vanuit de binnenstad - je loopt dan recht naar het station.'

Inderdaad: het nieuwe Groninger Museum, dat wordt ook geen kinderachtig project. Waar is het op begroot?' Daar vraagt u me wat. De Gasunie schenkt ons 25 miljoen, het totale bedrag zal ongeveer 40 miljoen zijn.'

Was er geen goedkopere oplossing mogelijk?' Het is al geruime tijd de wens van politiek Groningen om een nieuw museum te krijgen, we zijn uit het jasje gegroeid. Het verzet betreft dan ook niet zozeer het bedrag, alswel de plaats. Wij wilden dat hetin de binnenstad kwam, omdat het een wezenlijke functie heeft voor het hart van de stad.'

Niet bekend

We praten over de Groninger krakers. 'Geteisem', noemde hij hen in het Nieuwsblad van het Noorden. 'Dat was vier jaar geleden', zegt hij. 'Ze gooiden klinkers door mijn ramen, rakelings langs de hoofden van mijn kinderen. Daar ben ik buitengewoon kwaad om geworden.'

Vergoeilijkend: 'Maar ik wil niet generaliseren. Wat nu aan de orde is, vind ik iets heel anders. Je moet ernaar streven dat er geen groepen in een isolement terechtkomen. Als dat toch gebeurt, vind ik dat voor een deel ook een nederlaag voor het bestuur. Als ik beelden van de ontruiming terugzie, krijg ik bijna tranen in mijn ogen. Het blijft onze plichtom relaties te leggen naar dergelijke groepen.' Dat klinkt verzoeningsgezind, maar wat schreef de wethouder ook alweer over de krakers in maart jongstleden, twee maanden voor de geruchtmakende ontruiming van het WNC? Hij is het vergeten, maar het was dit citaat (eveneens in het Nieuwsblad van het Noorden): 'Tegen alles en iedereen, wel naar de Sociale Dienst en onbereikbaar voor welk werkgelegenheidsproject dan ook. Nog steeds geteisem.'