Streep door lucratieve constructie

Er is een eind gekomen aan een van de meest lucratieve constructies om belasting te ontgaan. Deze week heeft de Hoge Raad als hoogste rechter in belastingzaken het optreden van de fiscus tegen de zogenaamde kasgeld-BV's gerechtvaardigd. De getorpedeerde constructie moest groot-aandeelhouders in BV's in staat stellen op een voordelige manier de beschikking te krijgen over de in hun BV's opgepotte winsten.

De opzet van de constructie is om over bedragen van miljoenen guldens minder belasting te betalen: in plaats van 60 procent slechts 20 procent. Dat de Hoge Raad nu een streep heeft gehaald door deze opzet, geldt als het grootste succes dat de belastingdienst in de afgelopen jaren heeft behaald.

Aanleiding voor de zogenaamde kasgeld-constructies is de dubbele belastingheffing over winsten van BV's. De winst van een BV wordt inde eerste plaats belast met vennootschapsbelasting. Die is nu 35 a 40 procent. Als de BV die netto-winst vervolgens (als dividend) aan de aandeelhouder uitkeert, moet deze er tot 60 procent inkomstenbelasting over betalen. Deze dubbele heffing kan de groot-aandeelhouder gemakkelijk ontwijken door winst in de BV telaten zitten.

Door de opgepotte winsten worden de aandelen steeds meer waard. Bij verkoop van die aandelen krijgt hij de winst toch in handen. De groot-aandeelhouder betaalt dan over de verkoopwinst slechts 20 procent inkomstenbelasting. Een grootaandeelhouder is iemand die(samen met zijn familie) tenminste een derde van het aandelenkapitaal bezit. Hij heeft dan een zogenaamd aanmerkelijk belang. Met de matige 20- procentsheffing zijn de groot-aandeelhouders redelijktevreden.

Het nadeel van het gebruik van de aanmerkelijk-belangregeling is echter dat het hele bedrijf in andere handen overgaat. Een aantal fiscaal adviseurs en banken bedacht in het begin van de tachtiger jaren een sluipweg om van de 20-procentsheffing te kunnen profiteren, terwijl de zeggenschap over de BV toch bij de oorspronkelijke aandeelhouder blijft.

Bij deze constructie 'splitst' de aandeelhouder de BV in twee andere BV's. De onderneming draait gewoon door in een werk-BV; de overtollige geldmiddelen zijn evenwel afgezonderd in een geldzak-of kasgeld-BV. Die wordt vervolgens verkocht aan een bank, die het geld zonder fiscale gevolgen uit de BV kan halen. Voor zo'n transactie rekent een bank 2 a 3 procent van de verkoopprijs.

De bedoeling was dat de aandeelhouder over het netto-bedrag alleen de 20 procent aanmerkelijk-belangheffing betaalt. Als hij zich voor hetzelfde bedrag dividend had gegeven, zou hij veel duurder uit zijn geweest. In 1986 trad het ministerie van financien op tegen de constructie. De toenmalige staatssecretaris Koning gaf de belastingdienst opdracht de transactie met de bank te negeren en gewoon belasting teheffen alsof er sprake was van een dividenduitkering. Niettemin won de constructie bij banken en belastingconsulenten al snel aan populariteit.

In wetenschappelijke kring meenden velen dat Financien de constructie zonder reparatiewetgeving niet kon bestrijden. Onder andere de hoogleraren Van Dijck (Tilburg) en Stevens (Rotterdam) waren het niet eens met de aanpak van de staatssecretaris. Was de aanmerkelijk-belangregeling niet juist ontworpen om af te rekenen over opgepotte winsten? Welnu, dat was precies wat er hier gebeurde. Als de aandeelhouder de hele BV zou verkopen, zou zelfs de staatssecretaris er geen probleem mee hebben dat het 20-procentstarief zou gelden.

De fiscus ging evenwel voort op de door Koning aangegeven weg en liet dezaak voor de rechter komen. Deze verwierp in een aantal procedures het fiscale standpunt. De staatssecretaris liet het daar niet bij zitten en legde het probleem voor aan de Hoge Raad. Deze wilde eerst de mening horen van advocaat-generaal Van Soest; een topfunctionaris die de Hoge Raad wetenschappelijk advies geeft.

Het advies van de advocaat-generaal kwam begin dit jaar in de pers. Dat leidde tot hoop en verwachting in de belastingadvieswereld. Van Soest steunde namelijk de mening van de aandeelhouder in kwestie. Hij betoogde dat de wetgever bij het ontwerpen van de aanmerkelijk-belangregeling onder ogen heeft gezien dat de regeling ook toegepastkon worden in het geval van de proefprocedure. Daarin doet de aandeelhouder uiteindelijk niets anders dan aandelen in een BV verkopen, ook al betreft het een afgesplitste geldzak-BV. Pas als een aandeelhouder geregeld zo'n kasgeldconstructie toepast, zou Van Soest daar een stokje voor willen steken. Ondertussen steeg de bezorgdheid op het ministerie van financien. Met de kasgeldconstructies zijn voor de staat vele honderden miljoenen guldens gemoeid. De fiscale advieswereld paste de constructie steeds vaker toe, al werd er dikwijls een clausule aan toegevoegd dat de hele transactie niet door zou gaan als de fiscus de lopende procedures zou winnen. De rechters van de Hoge Raad studeerden meer dan een jaar op hetprobleem.

De met spanning verwachte uitkomst kwam deze week: de Hoge Raad trekt een streep door de constructie omdat zij als doorslaggevende redenbelastingontwijking heeft. Toch hoeven de betrokkenen niet het normale hoge tarief te betalen: ze kunnen met 45 procent volstaan.

Het oordeel van de Hoge Raad laat nog ruimte voor sluipwegen. Bijvoorbeeld het niet meteen aan de bank verkopen van de afgesplitste kasgeld-BV maar deze als beleggings-BV eerst een aantal jaren aanhouden. Het element van belastingontwijking raakt dan op de achtergrond. Door deze aanvulling op de constructie kan zij mogelijktoch werken. Met de uitspraak van de Hoge Raad is voor Financien de onmiddellijke noodzaak van reparatiewetgeving verdwenen. Op de wat langere termijn zal Financien stellig toch een nieuwe wettelijke regeling moeten ontwerpen om de gaten te dichten die nog zijn achtergebleven.