Speciale troepen ingezet tegen opstandige groep in hetnoorden van Sumatra; Jakarta bezorgd over onrust in Aceh

JAKARTA, 21 juli President Soeharto van Indonesie heeft het leger opdracht gegeven onmiddellijk een einde te maken aan de activiteiten van een gewapende groepering die al enkele maanden opereert in de noordwestelijke provincie Aceh (Atjeh). De groep heeft sinds april verscheidene malen geweld gebruikt tegen Javaanse transmigranten en overvallen uitgevoerd op wapendepots van het leger, waarbij tot nu toe 30 burgers en een zelfde aantal militairen om het leven kwamen. Er zijn 1.500 'speciale troepen' overgebracht naar Aceh en er zouden 50 groepsleden zijn gearresteerd.

In legercommunique's wordt de groep omschreven als een 'beweging die de veiligheid verstoort', in het Indonesisch afgekort als GPK, een benaming die doorgaans wordt gebruikt voor separatistische organisaties en andere groeperingen die zich verzetten tegen de centrale regering in Jakarta. In de jaren zeventig werd dit etiket gebruikt ter aanduiding van de beweging 'Aceh Merdeka' die opkwam voor de onafhankelijkheid van de provincie in het uiterste noorden van Sumatra.

Voor zover er een patroon valt te ontdekken in de acties van de groep, lijken ze vooral gericht tegen de aanwezigheid van Javaanse transmigranten. Het gaat hier om boeren die zich in Aceh hebben gevestigd in het kader van een regeringsprogramma ter vermindering van de bevolkingsdruk op het eiland Java.

Op 13 mei kwamen verscheidene gewapende personen het dorp Seunebuk Rombong binnen en dwongen de bewoners hun huizen te verlaten. Op 29 juni hielden gewapende mannen twintig kilometer ten zuiden van de stad Lhokseumawe een personeelsbusje met Javaanse plantage-arbeiders aan en schoten zeven inzittenden dood. Kort daarop werd het hoofd van een transmigrantendorp in Oost-Aceh vermoord. Als gevolg hiervan is een stroom vluchtelingen op gang gekomen. Sinds eind juni hebben ongeveer 1.200 transmigranten hun dorpen in Oost-Aceh verlaten en hun toevlucht gezocht in de aangrenzende provincie Noord-Sumatra, aldus een legerwoordvoerder in de Noordsumatraanse stad Medan.

Het is al een aantal malen tot schermutselingen gekomen tussen leden van de groep en patrouilles van de ABRI, het Indonesische leger. Vorige week kwam uit de provinciehoofdstad Banda Aceh het bericht dat er een inbraak was gepleegd in een wapendepot van de ABRI. De chef-staf van de ABRI, generaal Try Sutrisno, en andere hoge militairen hebben de afgelopen weken verklaringen afgelegd over de activiteiten van de 'GPK' in Aceh. Daaruit valt niet met zekerheid op te maken hoe groot de groep is; de ABRI-getallen varieren van 120 man tot 'niet meer dan dertig personen', die zouden zijn uitgerust met enkele tientallen gestolen geweren en handgranaten. Niet duidelijk is hoe deze cijfers vallen te rijmen met de jongste ABRI-berichten dat er 50 'GPK'-leden zijn gearresteerd en dat zich onlangs 16 man vrijwillig hebben overgegeven. Generaal Sutrisno erkende dat er onder de groepsleden voormalige militairen zijn. Waarnemers in Banda Aceh bevestigen dit: 'Het gaat hier om mensen die kennelijk gewend zijn te doden', aldus een ambtenaar. Chef-staf Try Sutrisno ontkent met grote stelligheid dat de groep politiek gemotiveerd is: 'Het zijn louter criminele elementen', aldus de generaal, die ook de suggestie van de hand wees dat er een verband zou bestaan met de beweging 'Aceh Merdeka'. Try schreef het geweld toe aan drugshandelaren die reageren op de jongste overheidscampagne ter opsporing en vernietiging van marihuana-plantages in Aceh. Hoewel omvang en betekenis van de groep in officiele verklaringen worden gerelativeerd, wijst alles er op dat de autoriteiten het probleem in Aceh uiterst serieus nemen. Volgens welingelichte bronnen in Aceh heeft Jakarta onlangs twee bataljons speciale troepen gestuurd naar het probleemgebied en enkele dagen geleden kruiste er ter hoogte van de stad Sigli een oorlogsschip ongewoon dicht onder de kust. Vorige week werd de gouverneur van de provincie Aceh, Ibrahim Hassan, ontboden door president Soeharto.

Na afloop van zijn onderhoud met het staatshoofd gaf de gouverneur zijn visie op het probleem. Volgens hem liggen er vooral economische oorzaken ten grondslag aan het recente geweld in Aceh. De twee regentschappen waar de acties van de 'GPK' zich concentreren, Noord- en Oost-Aceh, behoren tot de meest ontwikkelde van Indonesie. De aardgas- en kunstmestproduktie ter plaatse brengen de Indonesische staat veel geld op, maar de plaatselijke bevolking profiteert nog te weinig van dit succes, aldus de gouverneur, die dit als de belangrijkste oorzaak zag voor 'sociale jaloezie'.

Hij riep de centrale overheid op om met spoed speciale onderwijsprogramma's te beginnen voor de jongeren van Aceh, opdat ook zij werk kunnen vinden in de regionale industrie, die vooral beter opgeleide arbeidskrachten van buiten Aceh haalt. Voor Jakarta is Aceh al lang een reden tot zorg. Het gebied heeft een rebelse traditie die teruggaat tot de negentiende eeuw toen de Acehers een veertig jaar durende guerrilla-oorlog voerden tegen de Nederlandse kolonisator. Tot de Japanse inval in 1942 bleven in Aceh eenheden van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger gestationeerd. Tijdens de eerste jaren van de Indonesische Republiek sloot het streng islamitische Aceh zich aan bij de beweging Darul Islam, die zijn bakermat had in West-Java en opkwam voor een theocratische moslimstaat. Pas in 1961 kwam het tot een politiek compromis met Jakarta: Aceh kreeg de status van Speciaal Autonoom Gebied, waar de islamitische wetten van kracht zijn. In de jaren zeventig vonden frustraties over wat in Aceh ervaren werd als achterstelling binnen het Indonesische staatsverband een uitweg in de beweging 'Aceh Merdeka' (Vrij Aceh). In 1977 voerde die een korte, maar bloedige aanval uit op buitenlandse aannemers die werkten in het aardgasveld van Arun. Aan het begin van de jaren tachtig werd de beweging uitgeschakeld. Hoewel er in Aceh nu consensus bestaat over de wenselijkheid van blijvende aansluiting bij Indonesie, leeft in brede kring de overtuiging dat Aceh voor de royale belastinginkomsten uit het gebied meer terug zou moeten zien in de vorm van inspraak en financiele compensatie.