Royal Literary Fund schenkt archief aan British Museum; Stroop likken voor een schijntje

LONDEN, 20 juli 'Dear Sir,' schreef James Pinker, de literair agent van D. H. Lawrence in 1918 aan het Royal Literary Fund, 'kunt u de aanvraag van de schrijver voor financiele bijstand niet in welwillende overweging nemen? Zijn werk is niet van dien aard dat het aanslaat bij het grote publiek, en aangezien het niet mogelijk is voor een man met een artistiek temperament als het zijne om zijn werk aan de smaak van de massa aan te passen, verkeert hij al enige tijd op de rand van het bankroet, ondanks het feit dat hij er een uiterst spaarzame manier van leven op na houdt.' De brief ligt tentoongesteld in een kleine vitrine in de handschriftenkamer van het British Museum, die gewijd is aan de gift die het RLF onlangs aan de British Library gedaan heeft. De schenking beslaat het complete archief van het Fonds vanaf het stichtingsjaar 1790 tot om redenen van discretie voorlopig 1918. Schrijvers zien hun financiele perikelen niet graag te kijk liggen.

Naast de brief van Pinker ligt een knorrig schrijven van D. H. Lawrence zelf: 'Desondanks vul ik met de grootste tegenzin dat aanvraagformulier voor ondersteuning in. Ik heb geen zin om het RLF tot last te zijn. PS: Ik ben op medische gronden afgekeurd voor militaire dienst. ' Het RLF is een van die statige, met een lichte geur van deftigheid en braafheid omhangen Victoriaanse instituten bestemd voor een liefdadig doel. Charles Dickens werd in zijn tijd, het midden van de negentiende eeuw, al woedend om de manier waarop die liefdadigheid werd bedreven. Zijn bezwaar was dat schrijvers moesten stroop likken, bedelbrieven moesten schrijven voor ondersteuning en tenslotte door het stof bleken te zijn gegaan voor een schijntje. Van dat beeld heeft het RLF zich althans in Lawrence's tijd niet los kunnen maken. De schrijver kreeg zijn ondersteuning, al staat er bij de brief niet geschreven hoeveel.

Aanzien

Oprichter van het Fonds was de radicale dominee David Williams, een vriend van onder andere Benjamin Franklin, een pennevriend van Voltaire en Frederik de Grote en een ereburger van Frankrijk vanwege zijn openlijk beleden enthousiasme voor de Franse Revolutie. Maar noch Benjamin Franklin, noch de industrieel Josiah Wedgwood reageerden enthousiast op Williams' idee om soort maatschappij der letteren op te zetten, een Royal Society of Authors, waarbinnen maatschappijhervormende ideeen konden worden uitgewisseld door mensen van aanzien en intellect, zoals bijvoorbeeld Williams (schrijver van 'Preken, voornamelijk over Religieuze Huichelarij') en zijn directe vrienden zelf. Williams drukte desondanks een onderdeel van die plannen steun aan behoeftige schrijvers door, toen hij vernam van het lot van een zekere Floyer Sydenham, vertaler van Plato. Die was in het gevang gestorven omdat hij zijn schulden niet kon betalen. Williams opende een rekening bij het sjiekebankiershuis Coutts in Londen, schreef een aantal vooraanstaande figuren aan voor een bijdrage en in 1790 was het RLF een feit.

Net zoals nu hing ook toen de mate van bereidheid tot liefdadigheid ten sterkste samen met de aanwezigheid van belangrijke personen bij het jaarlijkse fondsenwervingsdiner. In 1806 was het RLF zover gevorderd dat het de Prins Regent als beschermheer had en van hem bovendien tweehonderd guineas had losgepeuterd om daarmee een pand in Gerrard Street te kunnen betrekken. Sindsdien, zegt Nigel Cross in een boekje over het RLF, was de aanwezigheid van hetzij de Prince of Wales hetzij bijvoorbeeld de Koning der Belgen als eregast op het jaarlijks diner voldoende om de inkomsten te verdriedubbelen tot 'honderden ponden'.

Een bijdrage aan het RLF kreeg snob-appeal: van de vierhonderd donateurs behoorden er in 1806 maar liefst twintig tot de hoge adel. Verder wemelde het van de baronnen en soortgelijk lager gewaardeerde sociale rangen. De belangrijkste uitgevers uit die dagen waren donateur, evenals John Walter, de eigenaar van The Times en John Penn, de eigenaar van Pennsylvania.

De enigen die in het gezelschap ontbraken waren echte schrijvers. Scott, Wordsworth, Byron en Shelley hadden geen van allen interesse in het RLF, voornamelijk omdat het 'een schijntje verdeelt met een verachtelijk vertoon van patronage'.

Gevierde en beroemde schrijvers hielpen liever een vriend direct, dan dat ze jaarlijks aan het liefdadigheidsdiner van het RLF aanzaten en een cheque in de enveloppe naast hun bord schoven. Toen het RLF in 1816 Coleridge een bijdrage van dertig pond gaf (uit een inkomen van tweeduizend pond per jaar en een bezit in aandelen ter waarde van 17.000 pond), gaf Byron zijn vriend honderd pond. 'En ik heb maar 150 pond op de hele wereld', zei Byron er bij. Shelley gaf zijn vriend Peacock zeven jaar lang honderd pond per jaar en zijn vriend Leigh Hunt een keer een gift van 1400 pond. Het RLF steunde Peacock drie maal voor een gezamenlijk bedrag van 51 pond en Leigh Hunt twee maal voor een totaal van honderd pond.

Strohalm

Daar staat tegenover dat het RLF wel vaak de laatste strohalm was voor schrijvers en dichters die niet zulke invloedrijke vrienden hadden als Shelley en Byron. Een telling in 1833 bewees dat het Fonds in de ruim veertig jaar van zijn bestaan giften had uitgedeeld aan twintig 'beroemde' auteurs en aan zeshonderd onbekenden. De giften gingen naar behoeftige schrijvers zelf of naar hun nabestaanden, waarbij de secretaris van het bestuur zich er vooral van vergewiste dat er a) een trouwbriefje was en b) sprake was van 'een zedelijke aard van hoog gehalte'. Toen Charles Dickens in 1939 zijn eerste bestuursvergadering bijwoonde, had het bestuur 35 aanvragen te beoordelen. Een smekeling zat al acht jaar in het gevang wegens verduistering, een ander was zelf bezwendeld, een predikant-schrijver zuchtte achter tralies omdat hij zich had laten verleiden het collectegeld te gebruiken voor zijn 'extravagante stijl van leven', maar het zieligst was het achttiende verzoek aan het RLF van de hand van de geschiedschrijver John Watkins. Hij had eerder geschreven vanwege de dood van zijn zoon, de tering van zijn dochter en de krankzinnigheid van zijn echtgenote. Kon het Fonds hem nu misschien helpen 'nu het de voorzienigheid behaagd heeft mijn laatste drie zonen weg te nemen?' Dickens is er zo van overtuigd dat het mogelijk moet zijn schrijvers te helpen zonder hun te krenken in hun trots, dat hij een campagne begint om schrijvers van een vast stipendium en zo nodig van een onderkomen te voorzien. Wanneer het RLF niet snel genoeg naar hem luistert, richt hij zelf in 1850 het Verbond voor Litteratuur en Kunst op, waarin de briefschrijvers geen bedelaars geacht worden, maar 'gentlemen'.

Hoe meer weerstand hij ondervindt, hoe kwader Dickens wordt. Zijn kritiek richt zich, behalve op de opzet van het Fonds, ook op de hoge administratiekosten. vijfhonderd pond om een bedrag van 1500 pond te verdelen. 'Ik ben vastbesloten om het RLF of om te vormen of om zeep te brengen het een of het ander, ' schrijft hij in 1857 aan een vriend.

Maar tactiek is niet Dickens' sterkste punt en in de regelrechte oorlog die hij ontketent met het bestuur van het RLF vervreemdt hij zijn medestanders van zich en verliest hij uiteindelijk. De Conservatieven binnen het RLF door de buitenwereld vanwege de ruzies al spottend 'The Rupture Society' genoemd zitten nu voor tientallen jaren veilig op hun troon.

Na bestuursfuncties van Thackeray en later Trollope is het weer gedaan met de participatie van schrijvers in het bestuur van het RLF. De grote schrijvers van rond de eeuwwissseling zoals Henry James en Joseph Conrad zitten niet aan aan de jaardiners, hetzij omdat ze niet worden uitgenodigd, hetzij omdat ze zelf niet willen. Conrad krijgt overigens wel een uitkering van het RLF en Henry James schrijft nog een aanbeveling voor een uitkering aan de schoondochter van Charles Dickens, Elizabeth, 'vanwege de welsprekende associatie met de beroemde naam die ze draagt'.

Het Fonds geeft Elisabeth Dickens in 1896 tweehonderd pond en de brief waarin ze voor die gift bedankt, is ook in het British Museum te zien.

De mini-expositie in het British Museum verdient op zichzelf niet meer dan dat de doorsnee-bezoeker aan de Magna Carta er en passant even langs loopt. De waarde van de tentoongestelde documenten ligt in het feit dat het hier een verwijzing betreft naar een collectie brieven en handschriften, die op microfilm staan en voor studiedoeleinden in het museum zijn te raadplegen.