Dingen in de zee

Nog steeds verblijf ik op een van de ABC-eilanden, waar ik teksten bewerk waar u later, naar ik vurig hoop, veel plezier van zult hebben. Mijn eiland begint met een B maar ligt niet tussen A en C in. Het is meer BCA, maar het weer is er niet minder om.

Elke dag weer vergeet ik de schaduw van de paaltjes aan de waterkant (ons terras eindigt in een drie meter hoge waterkant) te meten als de zon het hoogst staat, in het noorden. Volgens mij hebben we dan van een 1.10 hoog paaltje een schaduw van 20 centimeter. Een soort sextant is het dan en knappe zeevaarders weten dan wel hoe laat het is.

Het water is blauwgroen, tot ongeveer 80 meter verderop, waar het donkerblauw wordt. Ik ben erheen gezwommen en inderdaad, het is er donkerblauw, ook van binnen, want ik zwem tegenwoordig met mijn hoofd onder water. Daarover straks meer.

Wie het donkere water binnenzwemt merkt dat alles daar donkerderis dan om hem heen, vooruit, naar beneden, naar boven. Eenmaal weer in het 'groene' is het alsof men een verlichte ruimte binnenzwemt.

Blauwe lucht of niet, het water aan de kant is helderder. Groener. Tekstboeken spreken ook van vissen die voornamelijk in dat donkerblauwe gedeelte zwemmen. Toen ik in 1948 van Gibraltar naar Tanger vloog, zag ik een kronkelende lijn onder me waar het groene Middellandse Zee-water tegen het donkerblauwe Atlantische water aankwam. Dat lag niet aan de lucht, noch aan de diepte want ik neem aan dat de zee-engte tussen Spanje en Afrika behoorlijk diep is. Dus kom me niet met het verhaal vanhet witte zand schijnt er doorheen. Eenmaal terug in Nederland zal ik me verder over dat kleurverschil op de hoogte stellen.

Wie hier, vanaf de kust, het water intuurt ziet enkele vissen, met papegaaievissen en de zogenaamde Rock Beauty, een vis met een gele voorkant, een zwart middenstuk, en weer een gele achterkant.

We zijn geneigd bij vissen het eerst op de kleur te letten en op de grootte. Dat zijn we zo gewend van vogels, maar net als bij vogels is de juiste herkenning op die manier een vrijwel onmogelijke opgave. Vissen veranderen nog al eens van kleur als ze ouder worden en veel vissen veranderen van kleur als de omgeving verandert, bovendien lijkt het mannetje vaak slechts alleen in vorm op het vrouwtje. Er bestaan dus geen gidsen over bv. alle kleurvormen van de koraalvissen van de Antillen, omdat zulk een werkje meteen de dikte van het telefoonboek van Amsterdam zou krijgen. We moeten ons dus behelpen met de volgende aanwijzingen (in volgorde): kleur, zilverachtige huid, maat, vorm van de romp, opvallende kenmerken, staartvorm, vorm en plaats vinnen, karakteristieke vlekken, woongebied. Ga er maar eens aan staan.

Al snel merkte ik dat de meeste vissen die ik zag op de vierkante meter wonen, een plek die ze vaak bewaken tegen indringers. De eigenaardigste en kleurigste daarvan is de papegaaivis, die in vrijwel alle kleuren voorkomt. Een soort grote baars (sommigen worden 1.20 meter lang), met strepen, vlekken en prachtige effen stukken. Een meter naast de trapwaar ik afdaalde zwommen twee koninginne-papegaaivissen, waarvan de ene bruin was en de andere lichtblauw, op de kop afgezet met groen, rosein de rug en buikvin, geel op de borstvin en staart, een door een binnenhuisarchitect ontworpen decoratieve vis, met een suede aandoende huid en natuurlijk het kenmerk van de papegaaivis: de overhangende bovenkaak waarmee hij aan de stenen en de koralen hapt en ze aldus tot zand vermorzelt. Hij eet echter geen steen maar algen.

Die vissen zijn hoegenaamd niet schuw, kijken je peinzend aan met een vrijwel lichtgevend, lichtblauw oog en happen voort of gaan op hun zij liggen om je eens goed te bekijken.

Iets verderop woonden weer de haast volledig ronde Franse angelfishes, een goudzwarte vis met een apart erop geschilderd clownsgezicht, familie van de eerder genoemde Rock Beauty.'s Avonds ging er automatisch een TL-buis aan net onder de rand van het terras, zodat je dan nog steeds in het water kon kijken. Al snelmerkten we dat er elke avond, zo tegen achten, een grote tarpoenvis verscheen, van ongeveer een meter, met prachtige grote zilveren schubben en net als de papegaaivis een onderbijter. In het water leek hij groen, maar als hij zich aan de oppervlakte omdraaide zag je dezilveren schubben.

Tegen negen uur waren het er meestal drie, gestadig rondzwemmend voor onze deur omdat er onder het terras een grot was, waar het water inen uitspoelde en even verder een hoop koraal en stenen, waarachter ze mooi de nacht konden doorbrengen.

Omdat ik niet geheel zeker was of het wel tarpoenvissen waren, en we ookdachten aan bonefish of zelfs aan de grote barracuda, riep ik op een dagdat ik wel even zou gaan kijken, te water, en omdat iedereen riep dat ikniet zou durven, moest ik echt. Aangemoedigd vanaf de kant - 'nee, naar rechts, ja, nu rechtdoor, hij komt nu recht op je af' - zwom ik in het groene licht van boven rond, waarbij ik al dadelijk merktedat je niettegenstaande de lamp, weinig zag. Ik had nog voor mijn tochtje gezegd 'als het de grote barracuda is, heb ik fout gegokt' en toen ik de grootste op een meter voor me had bonste mijn hart in mijnkeel van schrik. Nee, 'savonds zwemmen is niks.

Toen we twee avonden slechts twee tarpoens zagen en op de avond daarop zelfs maar een, werden we echt ongerust. Was die ene grote met zijn vrouwtje weggevist? Je moest er toch niet aan denken.

Op de laatste avond tuurden we gespannen in het water, en ja, ze kwamen alle drie. Opgelucht konden we afscheid nemen.

De volgende avond, op Aruba, hoorde ik van de eerste eigenaar van het huis, dat er 'savonds meestal twee haaien naast die grotten bleven overnachten.

De zee kent veel geheimen, en ik nu ook een paar.