De Afghaanse ballingschap; Een mijnenveld tussen wens enwerkelijkheid

Het bewind Najibullah zit steviger in het zadel dan verwacht. Een snellezege van de mujahedeen ligt niet in het verschiet. Veel Afghaanse vluchtelingen popelen om naar huis terug te keren. Maar de toestand in grote delen van Afghanistan blijft hoogst onzeker. Bovendien achten de door Pakistan gesteunde politieke partijen het veel te vroeg om terug te gaan. Door hun onderlinge gekrakeel hebben die partijen echter veel aanzien verloren. De frustraties hopen zich op en steeds vaker worden Westerse hulporganisaties door de Afghanen tot zondebok gemaakt.

Een golf van opwinding overspoelde eind mei de tienduizenden lemen hutjes in het snikhete, stoffige Afghaanse vluchtelingenkamp Munda in het noordwesten van Pakistan. Oorzaak: de topontmoeting in Washington tussen George Bush en Michail Gorbatsjov. Velen in het kamp waren er zeker van dat de beide supermogendheden ditmaal een akkoord zouden bereiken over het Afghaanse conflict en dat het eindevan hun lijdensweg in zicht was. Sommige winkeliertjes in het kamp bodenalvast hun zaak ten verkoop aan.

Groot was de teleurstelling toen bleek dat Washington en Moskou het andermaal niet eens waren geworden over Afghanistan. De vluchtelingen in Munda - en niet alleen zij maar ook de andere 2,5 miljoen vluchtelingen in Pakistan en de twee miljoen Afghanen in Iran - klampen zich vast aan elke strohalm en koesteren onredelijk hoge verwachtingen van de macht van de supermogendheden. In werkelijkheid kunnen ook die echter maar beperkte invloed uitoefenenop de Afghaanse crisis.

De frustratie bij de Afghaanse vluchtelingen, in totaal goed voor ruim een derde van alle vluchtelingen ter wereld, nam verder toe. Na een jarenlang verblijf in kampen hadden de meesten er vorig jaar, na het vertrek van de laatste soldaten van het Russische Rode Leger, al vast op gerekend dat ze snel naar huis konden terugkeren. Maar het communistische bewind van president Najibullah bleek sterker, de islamitische verzetsstrijders zwakker, dan verwacht.

De toestand in Afghanistan blijft op veel plaatsen nog altijd uiterst onzeker en de meeste vluchtelingen prefereren de relatieve zekerheid van het leven buitenslands. Bovendien zijn de zeven voornaamste Afghaanse verzetsgroepen gekant tegen een terugkeer van de vluchtelingen zolang er geen islamitische regering in de hoofdstad Kabul zetelt.

Ook Noor Mahmad, die samen met twee broers een uitspanninkje drijft in het kamp Munda waar thee en koele dranken worden geschonken, zegtdat hij pas zal terugkeren wanneer er een echte islamitische regering isin Kabul. Gevraagd of hij de kans daarop realistisch acht gezien de vergeefse pogingen van het verzet om Najibullah uit het zadel te wippen, zegt hij met een grimas: 'Als Allah dat wil, gebeurt het.'

Een andere vluchteling, de dertigjarige Mohamad Zaman, gunt zich echter niet de tijd om op de onberekenbare daden van Allah te wachten. Hij keert binnenkort terug naar zijn dorpje in de provincie Kunduz in het noorden van Afghanistan.

Hizb-i-Islami Het advies van de verzetspartijen lapt hij aan zijn laars. Het respect voor de partijen is de afgelopen jaren door hun onderlinge gekibbel en het geheel uitblijven van tastbare successen drastisch verminderd. Aanvankelijk genoten ze veel aanzien bij de vluchtelingen, die door de Pakistaanse autoriteiten waren gedwongen om zich bij een partij aan te sluiten in ruil voor bonkaarten. Tegenwoordig moeten de partijen zich echter steeds meer van intimidatie bedienen om nog enige controle over de vluchtelingen uitte oefenen.

Vooral aanhangers van Hizb-i-Islami van de fundamentalistische leider Gulbuddin Hekmatyar vallen kampbewoners met afwijkende ideeen dikwijls op agressieve wijze lastig. Regelmatig komt het dezer dagen ook tot schietpartijenin de kampen tussen leden van de verschillende partijen.

Mohamad Zaman is geen uitzondering. Dagelijks trekken op het ogenblik zo'n 25 families over de vermaarde Khyber-pas, een van de voornaamste toegangswegen tot Afghanistan. Sommige vluchtelingenkampen in de Pakistaanse grensstreek Waziristan beginnen zelfs al aardig leeg te raken. Enkele tienduizenden Afghanen hebben dit jaar de thuisreis aanvaard.

UNHCR, de organisatie voor vluchtelingen van de VN, probeert de uittocht van de Afghanen voorzichtig te stimuleren. Tony Land, directeur van UNHCR in de Pakistaanse stad Peshawar, zegt dat zijn organisatie overweegt om de bonkaarten van Afghaanse vluchtelingen terug te kopen en vrijwilligers financiele steun te geven bij hun thuisreis. De bonkaarten, die recht geven op een vaste hoeveelheid voedsel per maand, vormen voor veel Afghanen een belangrijke prikkel om voorlopig in Pakistan te blijven.

Als ze weggaan zorgen de vluchtelingen er bijna altijd voor dat althans een paar familieleden in Pakistan achterblijven, zodat de familie nog is verzekerd van voedselbonnen. Mocht de toestand in Afghanistan verslechteren, dan kunnen ze altijd weer terugkomen. 'Ze zouden ook wel gek zijn als ze niet enige familieleden hier achterlieten. De toestand in Afghanistan is nog veel te onzeker', zegt Nancee Dupree, een bejaarde Amerikaanse dame die het samenwerkingsverband van enige tientallen non-gouvernementele hulporganisaties voor Afghanistan leidt. Ook zij dieeen baantje hebben weten te bemachtigen, bij voorbeeld als bestuurder van een riksha (een scootertaxi), zijn niet erg geneigd om terug te keren naar het straatarme Afghanistan.

Het aantal terugkerende vluchtelingen is ver achtergebleven bij de verwachtingen, in het bijzonder bij de overdreven voorspellingenvan prins Sadruddin Aga Khan. Die meende aanvankelijk dat er dit jaar zeker een miljoen Afghanen zouden teruggaan. De prins, wiens familie de leiding heeft over de shi'itische Ismaili-secte die veel aanhang in Pakistan geniet, staat aan het hoofd van UNOCA, de speciale VN-organisatie voor hulp bij de wederopbouw van het al ruim tien jaar door oorlog geteisterde Afghanistan. Sadruddin heeft een budget van ongeveer 100 miljoen dollar tot zijn beschikking, waar hij tot dusverre weinig mee heeft uitgericht.

De frustraties van de Afghaanse vluchtelingen ontladen zich intussensteeds meer tegen de Westerse hulporganisaties. Niets is tegenwoordig makkelijker voor anti-Westerse groepen dan stemming te maken onder de vluchtelingen door de Westerse organisaties te beschuldigen van handtastelijkheden jegens Afghaanse vrouwen en van cultureel imperialisme.

Opgehitst door enkele mullahs uit het kamp Nasir Bagh bij Peshawar plunderde in mei een horde vluchtelingen opslagplaatsen en materieelvan de Australische organisatie Shelter Now International. De schadebedroeg bijna een miljoen dollar. De mullahs beschuldigden Westerse hulpverleners, die een programma hadden opgezet voor Afghaanse weduwes, ervan de vrouwen te hebben misbruikt. Hier bleef het niet bij. Vorige maand raakte de directeur van Shelter, Thor Armstrong, gewond toen hij in zijn auto in Peshawar door onbekenden werd beschoten. Shelter besloot daarop haar activiteiten voorlopig te staken. Ook dedirecteur van het Amerikaanse IRC, Tom Yates, werd met de dood bedreigd. IRC heeft eveneens hulpprogramma's voor vrouwen. Yates heeft inmiddels Pakistan verlaten.

Tegen Afghaanse hulpverleners met weinig sympathie voor de fundamentalistische opvattingen van Hekmatyar zijn er de laatste tijd ook bedreigingen geuit. Nog erger overkwam de Pakistaanse journalist Mansoor Khan die onder andere voor het Britse persbureau Reutershet Afghaanse conflict volgde. Onbekenden vielen zijn slaapkamer binnen, overgoten hem met een zo bijtend zuur dat hij een week lateroverleed. Achter de golf van incidenten zitten naar alle waarschijnlijkheid fundamentalistische extremisten, die tweespalt hopen te drijven tussen de in hun ogen verderfelijke Westerse hulporganisaties en de Afghaanse vluchtelingen. Westerse hulpverleners verdenken vooral aanhangers van Hekmatyars Hizb-i-Islami ervan de intimidatie te bevorderen. De Pakistaanse politie onderneemt weinig tegen de daders vande gewelddadigheden. Noch de Pakistaanse politie noch de machtige geheime dienst ISI (Inter Services Intelligence) stak een hand uit bij de plunderingen bij Shelter Now International. Beide instellingen onderhouden ook al jaren voortreffelijke betrekkingen met Hekmatyar. De ISI stond er steeds garant voor dat Hekmatyar meer wapens ontving dan enige andere verzetsgroep.

Corruptie

Tegelijkertijd valt er onder de duizenden Afghanen die bij Westerse hulporganisaties te werk zijn gesteld een groeiende corruptie waar te nemen. Van de leiders van de Afghaanse verzetsgroepen, die vanuit Peshawar opereren, was al lang bekend dat ze een aanzienlijk deel van debuitenlandse hulp voor hun strijd in Afghanistan in eigen zak steken. Het laatste jaar is die praktijk echter ook door ondergeschikten steeds meer overgenomen. De schaal waarop de corruptie zich nu voordoet is nieuw.

Bruce Wannell, een Brit die als een van de zeer weinige buitenlanders in Peshawar de voornaamste talen in Afghanistan - Dari en Pashto - vloeiend spreekt, wijt deze corruptie aan een aantal factoren, in het bijzonder aan de ineenstorting van de oude sociale structuur van de Afghanen. 'De mensen die vroeger tegen de Afghanen zeiden 'dat mag je niet doen', zoals rechters of ouderen, genieten niet meer hetzelfde prestige als vroeger. Daarbij kwam nog de bittere teleurstelling wegens het mislukte offensief tegen de regeringstroepen bij Jalalabad in Afghanistan. Men weet dat de strijd tegen Najibullah op het ogenblik uitzichtloos is. Daardoor iser wanhoop ontstaan en een mentaliteit van 'laten we zien binnen te halen voor onszelf wat we kunnen zolang het nog kan'. Ze redeneren ook dat iedereen het doet, dus waarom zouden zij het dan niet doen. Dat is jammer, het waren vroeger zulke trotse mensen.' Ook Nancee Dupree wijst op een alarmerend verschijnsel onder de Afghanen: 'Veel jonge mannen hebben in de heilige oorlog gevochten, geen onderwijs genoten en zijn nu de oorlog minder intensief wordt, niet in staat om een normale baan te vinden. Ze vervelen zich, hebben geen respect meer voor hun leiders en zijn makkelijk te manipuleren.'

De Nederlander Gerard de Beurs, werkzaam bij Shelter Now International: 'De Afghanen zijn in veel opzichten net kinderen, maar ze hebben wel een Kalashnikov in hun handen. En voor ons hulpverleners werkt dat niet prettig.' Niet alleen zijn de Westerse hulpverleners bezorgd over de verslechterende veiligheidstoestand in Peshawar, er is ook kritiek op de hulpverlening. Dit geldt met name voor Sadruddin Aga Khan's UNOCA. 'UNOCA doet maar wat, ze hebben daar totaal geen plan, 'zegt een Britse hulpverlener, die anoniem wil blijven.

Honden

De grootste flop van UNOCA is zonder twijfel het op zichzelf zeer belangrijke programma voor het opruimen van de ontelbare landmijnen, dieoveral in Afghanistan liggen verspreid. Het had voor de hand gelegenom honden in te zetten. Plannen hiertoe werden echter doorkruist door de prins in eigen persoon. In een brief aan de Pakistaanse autoriteiten liet hij weten dat hij als hondenliefhebber ernstige bezwaren had. De Pakistanen restte weinig anders dan het inzetten van mensen voor het lokaliseren van de mijnen. UNOCA organiseerde een cursus. Westerse deskundigen onderwezen Afghaanse vluchtelingen in de techniek van de mijnopruiming. De vluchtelingen luisterden aandachtig, namen dankbaar het geld in ontvangst dat ze kregen voor het bijwonen vande cursus, en keerden na afloop linea recta terug naar hun kampen. Niet van plan om ook maar een mijn in hen vreemde streken van Afghanistan op te ruimen. Ten slotte werden er enkele teams gevormd van mensen die niet in de kampen maar in Afghanistan zelf werden gerecruteerd. Van deze teams zijn er intussen al zeker drie mannen om het leven gekomen. De impasse in Afghanistan zelf en de druk waaraan sommige hulporganisaties in Peshawar blootstaan zal waarschijnlijk leiden tot afnemende steun voor de Afghaanse vluchtelingen. Tony Land van UNHCR zegt dat het de VN in het algemeen steeds meer moeite kost om hulpgelden voor vluchtelingen in de Derde wereld los te peuteren in Westerse landen. Zo lang de Afghanen de boel kort en klein slaan bij Westerse hulporganisaties, zal de animo bij Westerse donors om hen te blijven financieren gering zijn. Wanneer het Westen minder hulp biedt, vormt dat voor de anti-Westerse fundamentalisten een nieuw bewijs van het perfide karakter van het Westen. Ze zullen dit gebruiken om de vluchtelingen verder op te hitsen tegen de Westerse staten. Zo tekent zich een gevaarlijke spiraal af.