BRITSE DEFENSIE

Het lijkt er niet langer op dat Groot-Brittannie in geval van een volgende verkiezingsoverwinning door Labour's werelds eerste exkernwapenstaat zal worden. De Britse socialisten hebben zo hun eigen nucleaire paradoxen: in 1983, op het hoogtepunt van de laatste fase in de Koude Oorlog, gaf partijleider Michael Foot met Labours bekering tot een niet-nucleaire defensiepolitiek tegenwicht aan president Reagans strijdlustige diplomatie tegenover de Sovjet-Unie. Nu, tijdens het requiem van het Oost-Westconflict, heeft de partij onder een draaiende Neil Kinnock uiteindelijk de 'independent deterrent' weer omarmd. Vriend en vijand van de huidige regering zijn het er dezer dagen over eens dat het mes flink in het defensie-uitgaven moet worden gezet. Waar, wanneer, en door wie dient te worden gesneden wordt bepaald tijdens een politieke stoelendans die de komende tijd zal worden opgevoerd. John Baylis, die al veel geschriften over het Brits veiligheidsbeleid op zijn naam heeft staan, zet in Striking The Right Balance de belangrijkste dilemma's van de defensiepolitiek helder en bondig op een rij. Met deze analyse haakt hij in op het debat over de verdediging van het Verenigd Koninkrijk, maar het boek is eveneens waardevol als historisch overzicht van het na-oorlogs Brits veiligheidsbeleid.

Groot-Brittannie heeft sinds 1945 veel meer aan defensie uitgegeven dan haar bondgenoten op het Europese continent. In 1957, kort na de Suez crisis, zag Macmillan zich genoodzaakt grootscheeps te bezuinigingen ten koste van het conventioneel budget. Tien jaar later besloot het kabinet-Wilson tot het afstoten van de verplichtingen 'east of Suez' in de loop van de jaren zeventig. In 1981 werd de marine, ooit de trots van de krijgsmacht, flink gekort. Alleen de fletse glorie van de Falkland-oorlog heeft nieuwe hoop gegeven aan een chauvinistische lobby die vindt dat Groot-Brittannie een bescheiden wereldrol moet blijven vervullen. De toekomst van de Britse kernmacht is vanaf 1945 wel door de Labour oppositie maar nooit door zittende regeringen - van socialistische of conservatieve snit - ter discussie gesteld. Een heter hangijzer in Whitehall was de betrokkenheid bij het Europese continent. Baylis besteedt er drie hoofdstukken aan. Het traditioneel ingestelde Brits politiek establishment moest de noodzaak zich om Europa te bekommeren afwegen tegen een maritieme strategie, en tegen de wereldwijde belangen die deze macht van in feite regionaal kaliber er nog lang na de oorlog op nahield. Daarnaast bleken de verlokkingen van de speciale relatie met de Verenigde Staten sterker dan die van de Europese samenwerking. De gretigheid waarmee de Britten met hun Angelsaksische bondgenoten in zee gingen leidde evenwel tot een technologische en politieke afhankelijkheid van de Verenigde Staten die ten opzichte van Europa door hen nooit geaccepteerd zou zijn.

Daarnaast karakteriseert de auteur een afkeer van theoretische principes als leidraad van de politiek, het de Britten op het lijf geschreven pragmatisme, en een diepgeworteld conservatisme als twee kenmerken van de typisch Britse beleidsstijl en strategische cultuur. Baylis is zelf een onderdeel van die cultuur. Zijn draaiboek voor de komende jaren bevat innovatieve procedures voor de besluitvorming over defensie, maar de huidige veranderingen in de internationale politiek tasten volgens hem de regels van het strategisch spel niet wezenlijk aan. Voor militaire planners, aldus de auteur, blijft de Sovjet-Unie voorlopig nog een latente dreiging - en de Britse belangen in Europa staan daarom nog steeds voorop. Hij verdedigt de Britse kernmacht genuanceerd en met Gaullistische bevlogenheid. De sentimentele lessen die velen in het Koninkrijk uit de Falkland-oorlog hebben getrokken vormen volgens hem echter het grootste gevaar dat Groot-Brittannie weer in een oude val loopt, en zich verplicht tot 'out of area' zaken die het niet aan kan.