Ysbrant

Ysbrant IJsbeer hijst de zeilenop zijn ijsschots en hij drijftpijlsnel weg van IJsbergeiland, waar zijn wijfje achterblijft.

Aan boord reizen vijftien teilenvol met ijsjes met hem mee.

Ysbrant wil die ijsjes slijtenbij de Middellandse zee.

En terwijl zijn ijsschip ijlingsvoortglijdt op de oceaan, mijmert hij over zijn levenals een rijke ijscoman.

Mijlen verder schrikt hij wakkerbij een grijze, steile klip. 't Lijkt wel,' zegt hij, 'of de zee stijgt.

Maar kijk nou... daar smelt mijn schip!Alle ijsbeitels en bijlen, spijkers, nijptangen en vijlen..!' En hij springt bijtijds en veiligin een van zijn vijftien teilen. 'Ik ga,' schiet hem gelijk te binnen, 'geen ijs- maar ijzerzaak beginnen.'