Vreugde over ruzie met Havana

MADRID, 20 juli Onder de oude heren die iedere ochtend bijeenkomen in het Centro Cubano in Madrid, moet de afgelopen dagen een feestelijke stemming hebben geheerst. Niet dank zij geslaagde zetten in het dominospel dat de mannen er plegen te spelen, maar omdat de Spaanse regering voor het eerst sinds jaren de regering van Fidel Castro trotseert in plaats van het bewind aldaar te paaien. Niet omdat het centrum weer een nieuwe brochure met herinneringen aan het Havana van weleer heeft gepubliceerd, maar omdat het Havana van nu de Spaanse minister van buitenlandse zaken gisteren openlijk 'een neo-koloniaal' heeft genoemd.

Het Centro Cubano is dan ook geen propaganda-instituut van de Cubaanse regering, maar trefpunt van een bonte verzameling Cubanen die in de afgelopen dertig jaar hun land zijn ontvlucht en van Spanjaarden die de indruk maken nog steeds te treuren om het verlies van het grootste eiland van de Antillen als parel aan de Spaanse kroon, na de smadelijk verloren koloniale oorlog van 1898. Wat dit ongelijksoortige gezelschap altijd verenigde was de gezamenlijke afkeer van het communistische bewind in Havana en, tot voor zeer kort, een op zijn minst zo grote afkeer van het toenaderingsbeleid dat de Spaanse regering voerde ten aanzien van Fidel Castro. Die toestand is abrupt veranderd, nu de Spaans-Cubaanse betrekkingen sinds afgelopen weekeinde in een ernstige crisis zijn beland.

Aanleiding was het binnendringen van Cubaanse politiemannen op het terrein van de Spaanse ambassade in Havana, waar ze een asielzoeker arresteerden en mee naar buiten namen. Met de escalatie van het conflict, dat wordt gekenmerkt door verwijten en beledigingen over en weer, heeft Cuba de relatie met een van zijn laatste vrienden op het spel gezet, een vriend die bovendien, uitzonderlijk genoeg, thuishoort in het kamp van NAVO en EG. Havana zou zich daar ernstig zorgen over moeten maken. In het Madrileense Centro Cubano drinkt men er graag nog een mojito of daiquiri op. Cuba libres schenkt het centrum niet.

Zelfs generaal Franco liet zich in zijn tijd de wet niet voorschrijven door de Amerikanen als het om Cuba ging. De historische banden met het eiland maakten het onmogelijk voor Spanje om zich aan te sluiten bij de economische boycot die president Eisenhower in 1960 afkondigde. Maar een vriend van Castro was de caudillo uiteraard niet. Die kwalificatie past eerder de sociaal-democratische premier Felipe Gonzalez die, sinds hij in 1982 aan de macht kwam, de banden met Cuba stevig aanhaalde. Een woordvoerder van het Spaanse ministerie van buitenlandse zaken gaf gisteren desgevraagd zuchtend een opsomming van de vele pagina's lange lijst met verdragen die Gonzalez sinds het begin van de jaren tachtig met Cuba heeft gesloten. Ze betreffen samenwerking op ieder denkbaar gebied: van de cinematografie tot de veeartsenij, van telecommunicatie tot schilderkunst, van zware industrie tot fundamenteel onderzoek.

Belangrijker is misschien nog de financiele hulp die Spanje de afgelopen jaren aan Castro heeft geboden. In 1986 en 1987 verleende Madrid steun bij de herfinanciering van Cuba's buitenlandse schuld. Waarschijnlijk als tegenprestatie werd, ook in 1986, een akkoord bereikt over vergoeding van de schade die Spaanse burgers hadden geleden als gevolg van de nationalisaties na de revolutie, al mocht die overeenkomst niet zo heten. Toen Cuba begin dit jaar de herstelbetalingen die in het laatstgenoemde verdrag waren afgesproken niet bleek te kunnen verrichten, toonde Madrid zich uiterst coulant. De schuld mocht ook in natura worden voldaan en dat betekende de overdracht van enige scheepsladingen diepgevroren garnalen en schelpdieren aan de Spaanse overheid. Diezelfde overheid trok vorig jaar bijna 2,8 miljard peseta (ongeveer 48 miljoen gulden) uit voor nieuwe kredieten en ontwikkelingshulp aan Cuba. Een cijfer voor dit jaar kon het ministerie van buitenlandse zaken nog niet geven en als de huidige crisis voortduurt, valt het zeer veel lager uit. Eerste maatregel die minister Fernandez Ordonez na de aanvaringen van deze week heeft getroffen is immers de opschorting van het voor eind van deze maand voorziene periodiek overleg in de vaste Spaans-Cubaanse commissie voor economische samenwerking.

Waarom is de sociaal-democratische premier van Spanje zo gul tegenover de eerder stalinistisch-geinspireerde leider van Cuba? Daar zijn verschillende redenen voor.

Behalve de al genoemde nationaal-historische banden tussen beide naties, is er ook nog zoiets als een persoonlijke historie die Felipe Gonzalez met revolutionaire leiders overal ter wereld, en met Castro in het bijzonder, verbindt. De Spaanse socialisten mogen dan een binnenlandse koers varen die eerder neo-liberaal dan progressief kan worden genoemd, Gonzalez en de zijnen zijn niet vergeten dat ze jarenlang vanuit de semi-illegaliteit tegen een dictatoriaal bewind hebben gestreden. Enthousiast vertoont de Spaanse premier zich dan ook in het buitenland aan de zijde van voormalige guerrilleros zoals Daniel Ortega en Fidel Castro, wier imago hij graag tot het zijne maakt. Voor zijn eerste verkiezingsoverwinning bezocht Gonzalez vier maal Cuba om besprekingen met Castro te voeren en als premier keerde hij er in 1984 terug. Bij die gelegenheid schonk hij de Cubaanse leider onder meer een pistool. Castro bracht in 1984 voor het eerst een bezoek aan Spanje, officieel alleen om de geboortegrond van zijn vader in Galicie te zien maar in werkelijkheid ook om nog eens van gedachten te wisselen met Gonzalez en diens vice-premier Alfonso Guerra.

Een tweede reden voor de intensieve contacten tussen beide landen heeft te maken met Gonzalez' onverhulde ambitie om in internationale verhoudingen beschouwd te worden als de leider van de Spaanstalige wereld. Kort nadat hij in maart van dit jaar had getracht te bemiddelen tussen Middenamerikaanse regeringsleiders over Nicaragua, begaf hij zich naar Brazilie om samen met zijn Venezolaanse ambtgenoot Andres Perez een poging te doen Fidel Castro te overtuigen van de noodzaak van hervormingen in Cuba. In het uren durende onderhoud gaf Castro echter geen krimp. Wat de landen van het Warschaupact deden was hun zaak, liever zou hij Cuba in zee laten zinken dan er glasnost en perestrojka toelaten. Enigszins schaapachtig moest Gonzalez na afloop van het gesprek toegeven dat hij niets had bereikt en dat hij de toekomst van Cuba somber inzag.

Maar had hij werkelijk geen enkele vooruitgang geboekt? Castro's retoriek mocht dan wel dezelfde zijn gebleven, eind mei opende hij in Cuba's mooiste badplaats, Varadero, toch maar een luxe hotelcomplex dat met de hulp van buitenlands kapitaal was gebouwd het eerste project van deze aard sinds de revolutie. De investeerders die deze primeur te beurt viel waren Spanjaarden. Castro's rationalisatie: Cuba moet zijn toeristische infrastructuur verbeteren en er is geen land waar men zoveel van toerisme weet als Spanje. Stilzwijgend legde hij zich neer bij de omstandigheid dat de winsten uit het project daarom ook naar Spaanse kapitalisten zouden vloeien.

Na deze concessie is Castro's aanvaring met Madrid nog weer wat onbegrijpelijker. Maar waarschijnlijk moeten de woorden en daden van Havana niet uitsluitend in het licht van de rede worden beoordeeld. Vrijwel zeker is, dat Castro zich getergd voelt nu hem in korte tijd zo veel vrienden en bondgenoten zijn ontvallen wier steun en aanwezigheid op Cuba tot dusver dagelijks merkbaar was: de Tsjechen, de Hongaren, de Oostduitsers, de Polen. Daarnaast ontwikkelt ook de verhouding met de Sovjet-Unie zich niet voorspoedig. Weliswaar werd dit voorjaar een nieuwe handelsovereenkomst met Moskou getekend, maar niet voor drie jaar, zoals de Cubanen wensten, doch slechts voor een jaar. Vrijzinnige Sovjet-publikaties zijn op Cuba reeds verboden en het kan Castro bovendien niet zijn ontgaan dat president Gorbatsjov zowel in binnen- als buitenland onder druk staat om een eind te maken aan dit soort overeenkomsten, die een verkapte subsidie van naar schatting zes a zeven miljard dollar per jaar inhouden. Nog onlangs maakte het Amerikaanse staatshoofd George Bush duidelijk dat stopzetting van de Sovjet-hulp aan Cuba een van de belangrijkste voorwaarden is waaronder de Verenigde Staten het verstrekken van leningen aan de Sovjet-Unie in overweging willen nemen.

Alles lijkt er dus op te wijzen dat Cuba zuinig zou moeten zijn op zijn Spaanse poort naar Europa. Spanje leek aanvankelijk ook bereid om de incidenten van de afgelopen dagen te vergeten. Het beklaagde zich wel over de politie-inval, maar eiste niet dat de gearresteerde vluchteling naar de ambassade zou worden teruggebracht, vroeg zelfs niet naar zijn naam, en heeft getracht extra bewakingspersoneel naar Havana te sturen om nieuwe asielpogingen te voorkomen. Het zijn uitlatingen van Cubaanse regeringsfunctionarissen die de kwestie hebben laten escaleren. De komende dagen zullen leren of de woede en de trots van Fidel Castro inderdaad groter zijn dan zijn politieke verstand en zijn overlevingsinstinct.