Rector magnificus wil Europees stelsel van hoger onderwijs; 'Universiteit en hogeschool privatiseren'

ROTTERDAM, 20 juli De universiteiten en hogescholen moeten worden geprivatiseerd. Ze dienen financieel op eigen benen te staan. Dat is vrijwel onontkoombaar als het na 1992 inderdaad iets wordt met het 'Europa zonder grenzen'. Dat vindt de rector magnificus van de Rijksuniversiteit Limburg, prof. dr. F. I. M. Bonke. Hij speelt met die opvatting in op de discussie over de toekomst van het hoger onderwijs in het verenigde Europa.

Volgens Bonke biedt privatisering van de universiteiten in die nieuwe situatie ook een garantie voor een hoge kwaliteit. Studenten zullen die gaan eisen, zoals ze ook bewuster een studie zullen kiezen, verwacht de rector van de Maastrichtse universiteit. 'Hoe zal het gaan als na 1992 het vrije verkeer op gang komt? Zullen dan niet veel meer studenten aan andere universiteiten gaan studeren dan aan die in eigen land? Je zult zien zeker als er sprake is van onderlinge erkenning van de examens dat grote groepen studenten naar landen met goede opleidingen gaan, die bovendien weinig of geen collegegeld vragen. Dat betekent dus een grote trek naar landen als Nederland en Duitsland.' Maar, vraagt Bonke zich af, 'zullen die landen bereid zijn een onevenredig zwaar deel van de kosten van het hoger onderwijs voor hun rekening te nemen? Waarschijnlijk niet, en dus is er een probleem.' Een ideale oplossing daarvoor zou volgens Bonke een Europees onderwijsbeleid zijn waarbij de universiteiten door de Gemeenschap gefinancierd worden. 'Je zou het probleem ook kunnen oplossen door in alle landen het onderwijsbeleid gelijk te trekken', zegt hij. 'Maar het zijn oplossingen waarvan ik niet verwacht dat ze de eerstkomende decennia gerealiseerd zullen worden. Dat gaat allemaal heel langzaam.' Door privatisering voor Bonke de sleutel voor het hoger onderwijs in de vrije Europese gemeenschap kan 'de bemoeienis van de nationale overheid met haar universiteiten en hogescholen aanzienlijk worden beperkt. Misschien zelfs tot het instandhouden van de infrastructuur, maar ook dat is niet absoluut noodzakelijk.' In de constructie die Bonke daarbij voor ogen staat ('Maar misschien komt er na een behoorlijke discussie wel een ander model uit') betaalt een student aan universiteit of hogeschool de volledige kosten voor het onderwijs. Hij moet dat geld lenen, net als het bedrag dat hij nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Na afloop van zijn studie krijgt hij van de landsoverheid een gedeelte terug: het standaardbedrag dat de overheid anders ook aan onderwijs en levensonderhoud van de student was kwijtgeweest. Maar dat gebeurt alleen als de student ook een prestatie heeft geleverd, dus een diploma heeft gehaald. Heeft hij zijn opleiding aan een dure universteit gevolgd, dan moet hij er dus geld op toeleggen. Kiest hij ergens in Europa voor een goedkopere opleiding, dan houdt hij geld over.

In elk geval zal de student hoge eisen stellen aan de universiteit of hogeschool, verwacht Bonke. 'Want het blijft voor hem investeren met een behoorlijk risico. Als hij zijn studie niet afrondt, zit hij met een studieschuld die, denk ik, niet door de nationale overheid wordt overgenomen.'

'Maar je moet dat niet dramatiseren. Ik denk dat er in zo'n situatie veel minder uitvallers zullen zijn dan nu. De student zal zorgvuldiger zijn opleiding kiezen en snel willen afstuderen. Het onderwijsprogramma zal ongetwijfeld geoptimaliseerd worden en verschillende niveaus kennen. De universiteit zal door een goede begeleiding proberen haar studenten zo goed en snel mogelijk naar de eindstreep te brengen. Als ze dat niet doet, krijgt ze immers een slechte naam en blijven de studenten weg.' De universiteiten en hogescholen worden in Bonke's visie dus private ondernemingen die voor hun voortbestaan groot belang hebben bij een aantrekkelijk studiepakket. Daarbij zal de ene instelling kiezen voor topkwaliteit en daarom een beperkt aantal studenten opnemen die hoge collegegelden moeten betalen. Een andere universiteit zal grotere aantallen studenten een studiepakket willen aanbieden waarmee ze heel goed op de arbeidsmarkt vooruit kunnen.

Voor de overheid ziet Bonke op deze onderwijsmarkt maar een beperkte rol. Hij meent dat die kan volstaan met het jaarlijks verstrekken van een basisbedrag om de continuiteit te garanderen. Daaraan zou zij voor de universiteiten de verplichting kunnen verbinden ook een aantal niet erg goed in de markt liggende opleidingen te verzorgen.

De privatisering brengt volgens Bonke de onderzoekstaak van de universiteiten niet in gevaar. Onderwijs en onderzoek moeten in zijn ogen gekoppeld blijven. Dat zou kunnen door het geld voor wetenschappelijk onderzoek aan de hand van kwalitatieve criteria te laten verdelen door een Nationale Wetenschapsraad. Daarnaast moeten de universiteiten veel meer dan nu gebeurt proberen elders fondsen voor onderzoek te werven, bijvoorbeeld door op de kapitaalmarkt te lenen of door met het bedrijsleven samen te werken.

Bonke erkent dat zijn ideeen niet morgen al te realiseren zijn. 'Dat hoeft ook niet, als het maar leidt tot een behoorlijke discussie over hoe we met het hoger onderwijs verder moeten als de grenzen opengaan en de nationale universiteiten en hogescholen internationaal georienteerde onderwijsinstellingen worden.' Hij geeft toe dat binnen zijn eigen universiteit die discussie in elk geval nog niet wordt gevoerd, 'al wordt de universiteit veel ondernemender dan zij een paar jaar geleden was'. Bonke, die zich voorlopig spiegelt aan de Technische Universiteit in Twente ('Ik ben jaloers op wat daar gebeurt'), vindt dat een privatisering wel voor alle universiteiten zal moeten gelden. 'Als een enkele universiteit dat in Nederland doet, overleeft zij het niet. Doen ze het allemaal, dan zal dat in elk geval in de andere landen tot soortgelijke acties leiden. Dan krijg je daadwerkelijk een open Europees stelsel van hoger onderwijs.' Prof. dr. F. I. M. Bonke