Pseudoniemen

Geen Nederlandse schrijver heeft meer dan dertig schuilnamen gebruikt. Herman Heijermans had er 28, maar Voltaire die niet zo heette, dekt zijn oeuvre met 136 namen die hij er nog bij had verzonnen. Deze wetenswaardigheden kan men lezen in Wim Hazeu's compendiumpje Pseudoniemen, in 1975 verschenen bij Uitgeverij De Harmonie. Het bevat meer dan tweeduizend schuilnamen die natuurlijk bij veel minder schrijvers horen.

De mens heeft niets voor het kiezen bij zijn geboorte. De wetten van de erfelijkheid bepalen wat voor kleur haar huid heeft (of zijn natuurlijk) en hoe groot zijn neus zal worden. Het moet een onbeschrijfelijke bof zijn als men later merkt dat alles in de juiste vorm en grootte op de goede plaatsen zit. Meestal is het niet helemaal zo, en dan valt er weinig aan te doen. Maar er is in ieder geval iets waarmee men min of meer wordt geboren en dat later gemakkelijk kan worden veranderd: de naam.

Vaak begint het al vroeg. In de tweede klas van de lagere school kende ik een jongen die Frederik heette maar zich Bill liet noemen. Hij vond dat Bill beter bij zijn levenshouding paste; hij had er geen literaire bedoelingen mee maar toch was Bill zijn pseudoniem. Daarmee gewapend spreidde hij een vervaarlijk gedrag tentoon dat hem in zijn hoedanigheid van Frederik misschien minder goed was afgegaan.

Je hebt natuurlijk de pseudoniemen die de doelmatigheid dienen. Men heeft iets geschreven dat in strijd is met de wet of de moraal, wil niet de last van zijn woorden dragen en verschuilt zich achter een naam waarvan niemand ooit had gehoord. Of men is naar zijn vader genoemd en ondervindt daarvan zoveel hinder dat men wel gedwongen is zich een nieuwe naam aan te schaffen. Misschien was Klaus Mann een andere schrijver geworden als hij maar een letter in zijn achternaam had vervangen. Het is allemaal een kwestie van doelmatigheid. Schuilnamen die daaruit ontstaan bedoel ik niet. Het gaat me om de geheimzinnige: de gevallen waarvan Frederik die zich Bill noemde, een voorloper is.

Alle mensen hebben heel wat meer personen in zich dan die ene waarmee ze zich op straat vertonen. Probeer het zelf: plak een baard aan, zet een zonnebril en een zwarte gleufhoed op, neem een wandelstok en ga daarmee op zaterdagmiddag door de Kalverstraat lopen. Wie de moeite neemt zal gaandeweg merken dat zijn lichaamsvezels van ongekende sappen worden doortrokken. Dat is het effect van de driedimensionale pseudoniem: de vermomming. Waagt men zo'n kansje met zichzelf dan bevindt men zich in goed gezelschap. Luis Bunuel was er een liefhebber van. De geslaagde vermomming niet voor misdadige doeleinden is de bevrijding van een persoonlijkheid die men tot dan toe, vaak ongeweten, geknecht had gehouden binnen zichzelf. Wat zo'n vermomming betekent voor het gedrag op straat, doet het pseudoniem bij het schrijven.

De voorwaarde daartoe is dat men vertrouwd is met het vak van het zinnen maken. Is dat het geval dan opent een schuilnaam voor iemand die zich heeft gespecialiseerd in bijtende columns de mogelijkheid tot het maken van lieve versjes. Wie domme boekbesprekingen schrijft zal tot zijn verbazing misschien merken dat hij ook nog iets snuggers in zijn mars heeft, messcherpe aforismen, bonmots waardoor hij in de cafe's de getapte man wordt. Wie jong is, kan zich door het pseudoniem tot grijsaard maken en voor laatstgenoemde is het de enige echte mogelijkheid om een theoretische slok uit de fontein van de jeugd te nemen.

Uit een en ander volgt natuurlijk: hoe rijker men aan persoonlijkheden is, des te groter de behoefte aan nieuwe namen. Voltaire levert het doorslaggevend bewijs. Heijermans onverdiend uit de tijd; lees eens een paar van zijn Falklandjes was voor Nederlandse doen goed voorzien. In onze tijd is W. F. Hermans met elf namen in Hazeu's Who is who de kampioen onder de levenden. Greshoff had er vijftien.

Op dit gebied heb je, zoals met alles wat je je kunt aanschaffen, de parvenu's die meer namen hebben dan persoonlijkheden. Een andere eigenaardigheid is dat sommige persoonlijkheden eerder sterven dan hun eigenaar waardoor zo'n pseudoniem leeg is als een pak in de kast. Tenslotte zijn er maximale pseudoniemen waarbij gedaante en naam samenvallen. Het voorbeeld is The Strange Case of Dr. Jekyll en Mr. Hyde, waarbij eerstgenoemde van de laatste het slachtoffer is geworden. Dit bewijst dat men met het zich aanmeten van een schuilnaam ook voorzichtig moet zijn.