Picknick

'Dat is een heel slechte trein, die komt uit Boekarest', zegt de mevrouw achter het stationsloket bezorgd, terwijl ze mijn kaartje monstert. 'Die kunt u beter niet nemen.'

Maar de zon schijnt door de glazen overkapping, Boedapest hangt me de keel uit, ik wil naar Praag. Mijn koffers zijn gepakt, even later neem ik plaats op een bankje onder het bord Balthische Orient Express.

Op het perron is al een levendig verkeer ontstaan, waarbij koffie, broodjes en informatie worden geruild. De koffie is slap, meldt de oudere dame met het stijve vilthoedje die naast me zit. De broodjes in de stationswachtkamer kan ze me ook niet aanraden, en de trein is op zijn minst een uur te laat. Hartelijk ontvouwt ze een papieren pak en offreert zelfgebakken cake, wat ik retourneer met stukjes halfgesmolten chocola uit het perronstalletje. Ze gaat naar een nichtje in Leipzig, vertelt ze, en net zijn we gevorderd tot de hoge huren en de lage pensioenen in Hongarije, als de trein ten slotte binnenpuft. Trossen mensen hangen al uit de ramen, maar de menigte op het perron rukt onvervaard portieren open en begint een omvangrijke hoeveelheid bagage in te laden. In het gangpad merk ik al gauw dat er geen doorkomen aan is. Hele families met kinderen op de arm leunen betraand naar buiten en onderhouden zich met de achterblijvers zoals dat altijd gaat in een vertrekkende trein: stokkend, er is niets meer te zeggen, of juist alles.

De stad verdwijnt uit het zicht, in een walm van doorgesudderde kool, Trabant-uitlaatgassen en kale armoede. Langs de spoorbaan bloeien de paarse seringe-struiken, waarvan een handvol takjes op ieder metrostation in Boedapest door oude vrouwtjes met zwarte hoofddoeken te koop wordt aangeboden.

Een Roemeense restauranteigenaar brengt me na enig geharrewar omdat mijn gereserveerde plaats niet gereserveerd blijkt te zijn onder in een coupe waarvan vijf zigeunerjongens al een picknick-plekje hebben gemaakt. De banken zijn in slaapstand uitgetrokken, en op de aldus ontstane pluchen vlakte zit men met gekruiste benen in een kring, en snijdt boerenbrood, sjalotten en kaas. De man van het restaurant komt er ook bij zitten, hoewel hij eigenlijk in een andere coupe hoort, en begint aan een expose over zijn leven. Zijn specialiteit is kip, vertelt hij, en hij woont in Cluz, met zijn vrouw en twee kinderen. Ze hebben het goed, ze hebben zelfs een vierkamerappartement, vlakbij een riviertje waar je kunt vissen. 'Ceausescu is dood, leve de revolutie!', roept de mooiste zigeunerjongen. Hij wijst op een foto in een geillustreerd blad waarop het bruidspaar Ceausescu prijkt, in hun jonge jaren. 'Weet je dat hij kinderen vermoord heeft', zegt hij, enigszins ongelovig. 'Die man was een echte misdadiger.'

'Maar nu is alles anders', valt de restauranteigenaar zonnig in.

We passeren Brno, en het is nog ten minste een uur of drie naar Praag. Mijn medereizigers moeten nog verder, naar Oost-Berlijn. In de coupe wordt het regelmatig aardedonker omdat we door lange tunnels in het gebergte rijden. In het duister zie je dan minutenlang alleen maar sigarettenas opgloeien.

Pas helemaal op het laatst bedenk ik dat ik ook wat aan kan bieden, en vind na lang rommelen in mijn koffer een half flesje champagne en een paar potjes Hongaarse kaviaar. De dikke jongen tegenover me proeft van de zwarte balletjes en trekt een vies gezicht. Het is de eerste keer dat hij dit eet en het valt hem niet mee. We schenken de champagne in plastic bekertjes en toosten op de vrijheid en de welvaart. 'Kom je naar Cluz? Volgend jaar?' roept de man van het restaurant uitgelaten, als ik in Praag mijn koffers het perron op zeul. 'Beloofd? Dan kom ik naar Amsterdam. Ik weet wel wat van Holland hoor, want we kijken naar het voetbal en naar de seks-show van Veronique. Met tien families, via de parabolique, de satellietschijf. Ik zal je een geborduurde jurk sturen!' 'Zal ik dan tulpebollen sturen, voor je tuin?', schreeuw ik terug, terwijl de trein zich alweer in beweging zet. 'Die hebben we al' roept hij, 'beautiful tulips, all colours!' En hij wuift en wuift.

Nu is het mijn beurt om licht betraand achter te blijven.

    • Emma Brunt
    • Briefkaart uit Praag