Onder geldmannen en bureaucraatjes; Nederlandsetoneelgezelschappen op tournee in Indie

In de eerste helft van deze eeuw maakten veel toneelgezelschappen uit Nederland een reis naar het toenmalige Nederlands-Indie, vervuld van het ideaal om er de Muze te brengen. De Indische samenleving reageerde lang niet altijd welwillend op de rondreizende artiesten. 'We willen niet het afval verteren, dat ons uit 't Moederland zou worden toegeworpen.' De foyer van de Schouwburg te Batavia, op Weltevreden, was bestemd een portrettengalerij van Nederlandse acteurs en actrices te worden. Het witte eenvoudige gebouw, streng van vorm, omsloten door een zuilengalerij, vervulde aan het begin van deze eeuw voor tal van toneelspelers een droombeeld. Optreden in 'den Oost', de toneelkunst verspreiden in 'ons Indie', deed menigeen die aan het Nederlandse toneel was verbonden in vervoering raken. Was het omdat de decors op pittoreske wijze met ossekarren werden vervoerd? Of omdat men het verkeer omleidde als in de Schouwburg een voorstelling ging? Tijdens het spel stonden de deuren van de beide zijgalerijen open. Traag ronddraaiende ventilatoren aan het plafond zorgden voor koelte. De schouwplaats won de vergelijking met elke Hollandse komedie glansrijk. Het personeel was er goed, soms wat traag handelend. Dan moesten er oud-Indiers aan te pas komen om de wensen van de Nederlandse spelers over te brengen, en weg vloog het personeel om aan hun verlangen te voldoen.

Van een tournee naar de Oost verwachtten Nederlandse acteurs niets dan idylle en heerlijkheid. De gezelschappen van Louis Bouwmeester, Cor Ruys, Henri Brondgeest, Chrispijn en Eduard Verkade ondernamen in de eerste dertig jaar van deze eeuw de reis naar Indonesie. 'Onze Indische booten,' schreef het blad De Prins in 1905, 'die reeds ladingen van den meest-uiteenloopenden aard hebben vervoerd, krijgen thans een nieuw export-artikel: kunst. Heele kunstladingen transporteeren zij naar Indie. Als de verstopping van 't Suez-kanaal niet reeds was opgeruimd, hadden we daar misschien nog een samentreffen beleefd van de Gontoer, waarop het gezelschap Brondgeest naar Indie reist, met het gezelschap Bouwmeester en gecombineerde voorstellingen van beide gezelschappen, of... moord en doodslag. Toch maar goed dat we kolonien hebben. Waar moesten we anders met onze kunst-overproductie heen? We zouden waarachtig haast imperialistische sympathieen gaan krijgen.'

Zeeziek

Toneelkunstenaars zijn reizende artiesten. De actrice Martha Walden tekende in 1925 een contract voor de Indie-tournee van Brondgeest. Ze speelde de duivelin-achtige dochter Laura in De Vader van Strindberg, het zwaardere genre naast het vele lichts dat de gezelschappen meebrachten. 'De reis naar Java was een openbaring,' staat er lyrisch in haar memoires. 'Het waren ongekende belevenissen... de eerste kennismaking met het Oosten: Ceylon, het betoverende eiland... '

Ook voor Fie Carelsen was Java 'als een droom. Een Oostersch sprookje. Het had iets onwerkelijks. Daar was de vroolijke, nijvere Europeesche samenleving. Een wereld in het wit. Een wereld van hardwerkende mannen en vrouwen. Maar ook van dames, die eeuwig niets deden, die leefden voor het uiterlijk en zich lieten verwennen door een stoet van bedienden. Een wereld die ruimer en breeder scheen dan de engbegrensde burgersamenleving achter de duinen, ginds aan de Noordzee.' De opening van het Suez-kanaal in 1869 bracht Indonesie dichterbij. De gezelschappen scheepten zich in te IJmuiden en koersten langs Gibraltar naar de Middellandse Zee, en dan via de Rode Zee de Indische Oceaan op. Passagieren op Ceylon, vervolgens Padang aandoen en uiteindelijk van boord gaan in Tandjong Priok, de havenplaats van Batavia. Daar wachtte de toneelspelers een trots onthaal.

De paar weken die de passage in beslag nam werd aan boord gedood met repeteren op het dek of het bestrijden van zeeziekte. Vinnen aan weerskanten van de scheepsromp ter stabilisatie waren nog niet uitgevonden. Toen Het Nederlandsch-Indisch Tooneel in 1908 naar de Oost ging, kregen de spelers de volgende raad om tijdens de overtocht niet telkens naar de reling te hoeven snellen: 'Een paar uur voor het betreden van het schip is het nemen van een gewone dosis kinine, en eenige maanden te voren het zich onthouden van alcoholische dranken voorgeschreven. Doch wat niemand moest nalaten, is het aanleggen van een drietal breede, nauw-sluitende elastieke banden, die het geheele bovenlijf van de armen tot aan den onderbuik als in een goed sluitend korset samen persen. De uitwerking daarvan is treffend.' Of Fie Carelsen dit voorschrift ter harte heeft genomen en haar jonge, bijna achttienjarige lichaam strak in de windsels heeft gelegd, is niet te achterhalen. In elk geval is haar als een van de weinigen de zeeziekte op haar eerste Indie tournee met Chrispijn bespaard gebleven. Meteen na het vertrek van de boot klom ze naar het bovenste dek, stond er tussen wind en zeemeeuwen en kneep zich stijf in de arm.

Hardop zei ze haar naam: 'Fie Carelsen. Ben ik het heusch?' Haar overzeese passage begon niet in IJmuiden, maar in Genua waarheen het gezelschap per spoor was gereisd. In Indie zou haar stormachtige affaire beginnen met Jean-Louis Pisuisse, de cabaretier wiens charme de omvang had aangenomen van een legende. Zijn amoureuze avonturen overtroffen zijn plankencarrierre. Hij was de zingende Don Juan in tropenland.

Fratsen

Applaus kregen ze veel, de artiesten uit het moederland. Applaus opklaterend als een tropische slagregen, als ik de geestdrift mag geloven die uit de memoires spreekt. Maar de Nederlands-Indische samenleving was te zelfbewust om zich alle grillen en fratsen van de rondreizende lieden te laten welgevallen. De Nederlandse acteurs moesten zich vooral niet in het hoofd zetten dat zij de uitverkorenen waren om kunst te brengen in het eilandenrijk.

Al in 1619 was in het fort van Jakarta de eerste toneelvoorstelling te zien, uitgevoerd door pioniers. Men speelde Van den Coninck van Denemarken en van den Coninck van Sweden, waarschijnlijk een bewerking van Hamlet. In 1757 was de inwijding van de eerste Batavische Schouwburg. Toneelliefhebbers richtten rond 1800 hun eigen gezelschap op onder de veelzeggende zinspreuk 'Inschikkelijkheid voor Lof'. Waaruit bestond die inschikkelijkheid? Het tijdschrift Het Tooneel uit 1931 geeft hierop antwoord: 'De sirihdoos was nog niet geheel verdwenen uit de achtergalerij, noch de sarong en kabaja uit de receptiezaal. Uit het meerendeels donkerkleurige, of althans 'zonder schip in Indie gekomen' vrouwendom dier dagen lieten zich geen dragelijke tooneelspeelsters rekruteren, o.a. dewijl zoo velen op gespannen voet stonden met de Nederlandsche taal. Het gemis van het vrouwelijk element moest aan de tooneeluitvoeringen niet weinig afbreuk doen, men moest zich behelpen met verkleede jongelieden. Maar al vermomden de jeunes premiers van het gezelschap zich ook zooveel mogelijk als leden van de vrouwelijke kunne, de identiteit was te herkennen, en doodend voor de illusie.' Alle goede bedoelingen van Nederlandse theaterlieden ten spijt schreef de Indische pers regelmatig afkeurend en verontwaardigd over de tournees. De hele tweede helft van de negentiende eeuw door had in Nederland de klacht geklonken dat het culturele klimaat in Indie erbarmelijk was, dat 'alle kunst die hooger gaat dan dansmuziek, vertaalde kluchtspelen en circus-vertooningen' in de kolonien niet kon aarden. Viel er iets anders te verwachten van op geldelijk gewin beluste planters en ambtenaren? In 1908 verkeerde Het Nederlandsch Tooneel nog in de veronderstelling dat het niet naar Indie ging om iets te halen, maar om iets te brengen, namelijk de zegetocht der Muze. Het is Henri Borel geweest, schrijvend vanuit Soerabaja, die zich fel keerde tegen dit in zijn ogen valse idealisme. Volgens hem waren de tonelisten op tournee niets anders dan 'contract-koelies'; het was hun te doen om dukaten, niet om de artistieke eer.

'Arme tobbers,' scheef hij, 'blij in Holland uit de sof te zijn met fl. 100 per maand (wat de meesten niet eens hebben!) denken gouden bergen te krijgen, als hun in Indie fl. 160 per maand wordt beloofd, maar weten dan niet hoe deze fl. 160 net even voldoende zijn, om slecht te wonen, slecht te eten en, zeer duur, slechte kleeren en chiffons te koopen, noodig voor het tooneel. Zij kennen de benauwde kamertjes niet van 't Java-Hotel, waar ik verscheiden artiesten ziek heb zien liggen, en waar zij met tweeen in een hok blij mogen zijn, als ze voor fl. 90 per persoon per maand en pension terecht kunnen.' Ook in kunstzinnig opzicht liet Borel zich niets wijsmaken. Het zesderangs ensemble van Henri Brondgeest gaf een duchtig afgestrafte 'paskwillige opvoering' van Wilde's Salome. De titelrol werd verminkt; kostuums en spel getuigden van charlatenerie. Desondanks oogstte de voorstelling succes, misschien doordat het Indische publiek, aldus Borel, 'nog zoo goed als niets van Tooneel heeft genoten, en dat het uitgaan op zich zelf, het in een komedie-zaal zitten in mooie (Indisch-mooie) toiletten al een 'lolletje' is, dat de illusie geeft, van in Europa te zijn. Het Indische publiek is, als kinderen, gemakkelijk te lijmen en te leiden door een handig mensch.

Toch weten ze in Indie even goed als in Holland wat mooi is, en dit ontkennen is een beleediging van het Indische publiek, enz. enz.' De grootste rol van Louis Bouwmeester was Shylock in De Koopman van Venetie. Hij toonde hem in Indie, na op de heenreis veelvuldig te hebben gerepeteerd, zoals op een dinsdagmiddag in december 1905 om twaalf uur, 'op 43 graden 35 minuten en 5 seconden Noorderbreedte en 9 graden 13 minuten en 5 seconden Westerlengte'. De opvoering in verschillende plaatsen, als Batavia, Buitenzorg, Bandoeng, Garoet en Semarang, werd een triomf van goud en bloemen. Juffertjes keken met knippende ogen. Ook speelde hij de titelrol in Voerman Henschel van Hauptmann. Een evenement, zoals we lezen in de pennestreken van Henri Borel: 'Daar komt nu opeens als een reus die groote man in ons kleine, miezerige maatschappijtje van geldmannen en bureaucraatjes en heft zijn prachtige kunst hoog boven hun met ontzetting geslagen hoofden, dat ze er van sidderen en beven.'

Argwaan

Indie hunkerde naar kunst, maar koesterde ook argwaan tegen het vanuit Nederland verscheepte toneel. De Sumatra-Post uit Medan oordeelde: 'We willen niet het afval verteren, dat ons uit 't Moederland zou worden toegeworpen. We wijzen met beslistheid af hetgeen beter behoort te zijn.'

Muziekensembles kregen een warmer onthaal, al diende een stel jeneverkratten de musici en de dirigent als podium. Het theater koos veiligheidshalve voor cabaret en het lichtere genre. Nu vergeten blijspelen als Dolle Hans van Fabricius en Marcellus Emants' Geuren vielen in de smaak, evenals Shaw's zedenkomedie Mevrouw Warren's beroep. Bouwmeester speelde de klucht Echtscheiding gevolgd door een mimiek en pantomime nummer. Met geen enkel woord repten de Indische dagbladen over de interpretatie van de stukken. De regisseurs reisden weliswaar mee maar dienden er kennelijk toe om de leden van het gezelschap bijeen te houden in dat bekoorlijke land van onvermoede vrijheden. Zo nam Martha Walden trots plaats naast Henri Brondgeest in zijn zevenzits Cadillac, bestuurd door een chauffeur. Op geimproviseerde planken onder de tropenhitte wilden de acteurs vooral schitteren in hun paraderollen en schmierend de sterren van de fluweelzwarte hemel spelen. Charlotte Kohler gaf, doodziek van de hitte, haar voordrachten waar de mensen van heinde en verre naar kwamen luisteren. Geliefd op Java was Cor Ruys, die liedjes zong als Het Indische droombeeld van vroeger! over het huis dat elke Indie-ganger die repatrieert naar het vaderland staat te wachten: 'Man, het staat daarginds in Holland/ In gedachten kant en klaar: / Wit geschilderd, rooie pannen/ En het heet 'DE MAKELAAR'... // Nooit meer 'savonds op een platje/ Happen naar een vleugje wind, / Nooit meer urenlang verkletsen/ Met een lossen borrelvrind.' De kunstkringen op Java vonden hun oorsprong in de societeit, de 'soos', waaruit de voorkeur voor amusement is te verklaren. Tot enkele jaren in de Tweede Wereldoorlog duurden de tournees voort, met de gevangenschap van Wim Kan in een Japans kamp en zijn tewerkstelling aan de Birma Spoorweg als symbolisch en ook navrant einde.

Verkadomanie

Leerden de gezelschappen in artistiek opzicht iets van Indie? Of was elk tournee een geste van grandeur van het moederland tegenover de kolonien? Dat gestechel met wrakke omtuimelende decors, het spelen zonder poeder en pruik, elektriciteit die uitvalt: het was natuurlijk allemaal heel romantisch, maar ook neerbuigend tegenover de Nederlands-Indische toeschouwer. Eduard Verkade met De Hagespelers vormde een uitzondering. Hij vertrok in 1911 naar Indie als eerste met eigen decors en meubilair, ontworpen en vervaardigd in Nederland. Het ensemble gaf bijna honderdvijftig voorstellingen, waaronder Een ideaal echtgenoot van Wilde en Shakespeare's Hamlet. Geen puur amusement maar toneel in Indie dat gelijkwaardig was aan het toneel in Holland. In de Oost brak de 'Verkadomanie' los, zoveel bijval oogstten De Hagespelers. Het wantrouwen groeide weer. 'Ofoei,' protesteerde het Weekblad van Indie. 'Het komt ons voor, dat Indie neigende is tot eene ziekte, die met 'Verkadomanie' zou kunnen betiteld worden... Laten we in Verkade waardeeren en hoogelijk waardeeren den man met den fijnen smaak, fijnen geest en diep ernstige tooneelstudie, maar geen 'Verkadomanie'.' De befaamde Indische achtergalerij met zijn gladde vloeren en rotan ligstoelen inspireerde Verkade tot het decor van Nonni van Fabricius. De voorstelling ging mee naar Nederland. De ideale verhouding tussen moederland en kolonie leek bereikt: in 1911 met de S. S. Vondel theater gebracht, een jaar later de haven van Batavia uitgestoomd met een nieuw toneelstuk voor het winterse seizoen in Nederland, daar te spelen in een authentiek Indische atmosfeer. Twee landen die naar elkaar verlangden en elkaar op het toneel dwars over de evenaar de hand reikten.