Iets heel hoogs en moois; Biografie van Frederik van Eeden

Op 24 juli 1921 noteert de inmiddels eenenzestigjarige Frederik van Eeden in zijn dagboek: 'Ook kreeg ik een bericht dat een zeegen voor mij zou kunnen worden. Een jonge literator Dr. G. Kalff, wil mijn geheele werk beschrijven. Ik voelde vaak hoe gelukkig dat voor mij zou zijn. Ook dit kan een heilige niet scheelen, maar mij wel. Ik heb er niets tegen gerechtvaardigd te worden, en de waarheid omtrent mij en mijn werk aan 't licht te zien brengen. Maar ik blijf bereid op een teleurstelling.' De dagboekaantekening is kenmerkend voor de auteur: zijn hele leven wordt hij al gedreven door een bijna ziekelijke drang naar 'rechtvaardiging'. Bij de meest uiteenlopende gelegenheden voelt hij zich gekweld door het besef niet juist begrepen te worden. Hij die altijd streeft naar het goede, het zuivere, het schone een levenshouding waarin Van Eeden soms de allure van een Christusfiguur aanneemt moet keer op keer constateren dat zijn daden zo anders beoordeeld worden dan zijn intenties.

Hoezeer Van Eeden zich ook heeft voorbereid op een teleurstelling, hij zal nauwelijks hebben vermoed dat de studie van Dr. G. Kalff Jr. zou resulteren in een meer dan vijfhonderd pagina's volgehouden aanklacht tegen zijn persoon en werk. De zin waarmee Frederik van Eeden: psychologie van den Tachtiger in 1927 opent, laat wat dat betreft niets te raden over: 'Dit boek is begonnen als apologie: het werd requisitoir.'

Kalff bewijst weer eens dat een overmaat aan emotionele betrokkenheid bij zijn onderwerp een van de grootste gevaren van de biograaf is. In die valkuil is Jan Fontijn niet terecht gekomen. In zijn ronduit schitterende biografie blijft hij steeds op de noodzakelijke afstand naar zijn object kijken: betrokken maar gereserveerd, begrijpend maar kritisch, met een groot inlevingsvermogen en een ruime kennis van de cultuurhistorische kaders. Na lezing van zijn studie heeft de lezer het gevoel greep te hebben op 'het mysterie Van Eeden', zonder dat het ontraadseld is. En dat gevoel deelt hij met de biograaf. In de Epiloog, waarin een voorlopige balans wordt opgemaakt van het leven tot 1901, geeft Fontijn een detective-achtig slot aan zijn speurtocht door een vergelijking te trekken met Stevensons The strange case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde. Een essentieel verschil is echter dat, in tegenstelling tot de literatuur, de werkelijkheid geen echte 'oplossingen' kan bieden: 'Van Dr. Jekyll kreeg Utterson een 'Full Statement of the Case', waarin Jekyll precies vertelt wat er gebeurd is. De biograaf van Van Eeden moet het met heel wat minder stellen.'

Waardering

Wat Fontijn eveneens op mij heeft overgebracht is een gevoel van onzekerheid ten aanzien van de waardering die Van Eeden verdient: de biograaf spreekt geen oordeel uit (misschien moeten we daarvoor wachten tot het tweede deel is verschenen) en lijkt een enigszins ambivalente houding in te nemen. Ik heb het woord ambivalentie bewust gebruikt: het is een sleutelbegrip in Fontijns studie. Iedere biograaf komt vroeg of laat tot het besef dat hij voor een in wezen onmogelijke opgave staat: 'tot de dag van vandaag toe, alle postmodernisme ten spijt, blijft het voor de biograaf moeilijk zich los te maken van de hardnekkige mythe in zijn genre: die van de coherente persoonlijkheid', aldus Fontijn in zijn inleiding. 'Wie es eigentlich gewesen' valt principieel niet te achterhalen, in plaats daarvan moet de biograaf op zoek naar 'de onbewuste mythe, de drijvende, verborgen kracht achter een leven, de soms martelende ambivalenties.'

Hoezeer hij er ook tegen gevochten mag hebben, Fontijn brengt wel degelijk coherentie aan in het leven van zijn hoofdpersoon, al is dat de coherentie van het incoherente. Fontijn presenteert zijn mythe, vertelt dus een verhaal dat in laatste instantie naar iets anders verwijst; wat dat is blijft uiteindelijk ongrijpbaar, voor interpretatie open, niet alleen voor de levensbeschrijver maar ook voor de lezer.'Tweespalt': een juistere titel had Fontijn niet kunnen kiezen.

Bijna op iedere bladzijde en naar aanleiding van de meest uiteenlopende gebeurtenissen, wijst hij op de fundamentele ambivalentie die aan de basis van Van Eedens gedrag ligt. 'Dubbelzinnigheid', 'hypocrisie', 'onoprechtheid', het zijn woorden die de rode draad door het boek spannen. Van Eeden manifesteert deze ambivalentie al vroeg in zijn leven, zoals blijkt uit de hoofdstukken die zijn jeugd en studententijd beschrijven. Hij toont zich ambivalent ten opzichte van het positivistisch denken, de medicijnenstudie, het studentenleven, de liefde, de seksualiteit, het geloof. Kortom: hij is de eeuwige twijfelaar die nooit een eenduidige keuze kan maken of zich met hart en ziel aan iets overgeven. In zijn kolonie Walden loopt hij rond in een pilo-pak, ijverig en idealistisch zaaiend en maaiend, maar dat alles weerhoudt hem er niet van om zich in dezelfde tijd vol overgave in het aristocratische milieu van de Engelse Lady Victoria Welby te bewegen. Van Eeden is zich op sommige momenten maar al te goed bewust van zijn incoherente levenshouding: 'Ik begrijp nu zoo duidelijk het gezegde, dat een mensch drie karakters heeft, een dat hij schijnt te hebben, een dat hij denkt te hebben, een dat hij werkelijk heeft. En ik geloof niet, dat het mogelijk is ze alle drie te kennen en dus het tweede te laten wegvallen.'

Het lijkt een uitspraak van een bezonnen auteur op leeftijd; in werkelijkheid is het een dagboekaantekening van een zeventienjarige.

Met name in zijn houding tegenover vrouwen heeft Van Eeden het moeilijk. Hij is gefascineerd door jonge meisjes het hoofdstuk over de Engelse meisjes Molony laat zich lezen als een roman en valt voortdurend voor oudere dames. Hij wordt gekweld door de vraag of de vrouw een engel is, een raadselachtige sfinx of een gevaarlijke verleidster. Gevoelens van masochisme mag men hem daarbij bepaald niet ontzeggen, Fontijn wijst er enkele malen op. De relatie met Betsy van Hoogstraten is voor een deel op zelfkwellerij gegrondvest. Van Eeden stond zichzelf en zijn geliefde slechts een Platoonse omgang toe, maar (of dus?) het resultaat is een haat-liefde verhouding. Wanneer Betsy hem weer eens het leven zuur heeft gemaakt, schrijft Van Eeden ijselijk: 'ik kan niet genoeg getrapt worden want dan weet ik zeker dat alleen het onvergankelijke overblijft.'

Van Eedens weigering iedere seksualiteit toe te laten, ontlokt Fontijn de volgende, trefzeker geformuleerde opmerking: 'De Beatrice te zijn voor een bekend dichter is natuurlijk iets om trots op te zijn, maar bedenkelijk wordt het wanneer de dichter in verheven taal, krimpend van Smart, je nogmaals zwart op wit te kennen geeft dat hij je afwijst, althans als wezen van vlees en bloed.'

Burgermannetje

Van Eeden is zich op heldere ogenblikken bewust van zijn enigszins gespleten persoonlijkheid (Fontijn gebruikt de term wijselijk niet), zoals blijkt uit een brief aan Jan Veth: 'Ik ben een klein burgermannetje dat wat aan wetenschap en filosofie doet en ik hou niet van die andere, die wil dat ik dingen schrijf en die mij hoofdpijn bezorgt als ik niet doe wat hij verlangt.'

Maar meestal is er een opvallend gebrek aan zelfinzicht of realiteitszin. Illustratief heb ik altijd de oprichting van 'de bond van genieen' gevonden, een club koninklijken van geest die in juni 1914 in Potsdam voor het eerst bijeenkwam om de mensheid te wijzen op sociaal onrecht en de gevaren van materialisme, terwijl op hetzelfde moment de Eerste Wereldoorlog uitbrak (het staat vermeld in het o.a. door Jan Fontijn geschreven hoofdstuk 'het is maar tien uur sporen naar Berlijn' in Berlijn-Amsterdam 1920-1940: wisselwerkingen uit 1982). Soms krijgt deze karaktereigenschap enigszins komische proporties. In 1894 trekt Van Eeden door het land om zijn publiek kennis te laten maken met het zojuist voltooide De broeders. Hij vindt het declameren moeilijk, maar langzamerhand begint hij er plezier in te krijgen en na de nodige oefeningen acht hij zichzelf er zelfs geschikt voor. De werkelijkheid was anders: Gorter liep de zaal uit en een recensent spreekt van 'een onmetelijke verveling, twee avonden ergernis en gapen.' Fontijn had geen raadselachtiger en dus voor een biograaf boeiender object kunnen kiezen. Iedere keer weer blijkt Van Eedens hooggestemde idealisme na verloop van tijd vleugeillam te worden en valt hij als Icarus naar beneden. Het heeft niet alleen te maken met zijn ambivalente of onoprechte houding, maar ook met zijn op cruciale momenten gebrek aan wezenlijke betrokkenheid. In 1887 opent hij samen met zijn collega-medicus Albert Willem van Renterghem in Amsterdam een kliniek voor therapeutisch hypnotisme. Van Eeden is hooggestemd: 'Je begrijpt dat ik van mijn rol tegenover mijn patienten iets heel hoogs en moois tracht te maken. Want mijn praktijk is iets heel bizonders. Ik doe alles met woorden en heb dikwijls meer van een priester weg dan van een dokter De vriendelijke aanraking van al die hulpzoekende menschenzielen, die met hun zachtste zijde tot mij komen, is mij een genot. En daar het tegelijk mijn plichtmatig werk is, voel ik geen ongeduld of irritatie evenmin als een chemicus bij zijn proefnemingen of een natuuronderzoeker die mieren of bijen bestudeert.'

Voor een psychiater moet het een uitdagende praktijk zijn geweest, maar al vrij snel raakt Van Eeden zijn belangstelling en betrokkenheid kwijt: het bestaan op de kliniek karakteriseert hij in 1892 als 'leugenachtig, onzuiver, doodend, groezelig, vol zakenachtigheid, geldgemaal, schijn, en eentonigheid en konkelen met zijn wezen en met zijn waarheid'.

Een jaar later stapt hij vol weerzin uit de maatschap met Van Renterghem en besluit hij alleen van de pen, maar meer nog van de portemonnee van zijn ouders te gaan leven. Het is een curieuze beslissing voor een medicus die zich zo idealistisch opstelt en die op dat moment nog maar net dertig jaar oud is.

De combinatie van idealisme en ontgoocheling is eveneens voortdurend aanwezig wanneer het om de literator Van Eeden gaat. Iedere keer weer koestert hij hooggespannen verwachtingen van zijn werk, maar iedere keer weer stelt de kritiek hem teleur. Fontijn weet op een overtuigende en subtiele manier de verwevenheid van leven en werken bij Van Eeden aan te wijzen. Zonder dat hij klakkeloos een roman uit het leven verklaart, laat hij zien hoe een werk als Van de koele meren des doods ontstaat uit en vervolgens refereert aan gebeurtenissen uit het leven van de auteur. Hedwig blijkt een composiet-personage, samengesteld uit de vrouwen die een belangrijke rol in zijn leven speelden: Henriette Ortt, Betsy van Hoogstraten, Martha van Vloten en Jeanne Fontaine. Na het lezen van een biografie ervaar ik de kloof tussen leven en werk vaak sterker; het lezen van Fontijns boek heeft de omgekeerde sensatie teweeggebracht.

Hypocrisie

Ik vind het een grote verdienste van Fontijn dat hij Van Eedens ambivalente persoonlijkheid soms in een ruimere, cultuurhistorische context weet te plaatsen. In de Epiloog karakteriseert hij hem als een exponent van de Europese mens die, zoals Jan Romein dat noemde, op het breukvlak van twee eeuwen stond. Van Eeden is het prototype van de fin-de-siecle-mens, met een flinke dosis Victoriaans erfgoed. Hij voldoet aan de drie vormen van hypocrisie die Walter Houghton in het Victoriaanse tijdperk aanwijst: conformisme, morele pretentie en escapisme. Op deze momenten schrijft Fontijn de biografie die hijzelf in zijn inleiding als ideaal karakteriseerde: 'Is de biografie de geschiedenis van een leven vanuit het standpunt van de biograaf, is het de geschiedenis van een leven vanuit het gezichtspunt van de held of vanuit het gezichtspunt van zijn omgeving? De ideale biografie is volgens mij de biografie, waarin die drie gezichtspunten zoveel mogelijk worden gecombineerd.' Bergen verzetten impliceert niet een heel gebergte verplaatsen. Een biograaf zal het moeten doen met het materiaal dat beschikbaar is. Hoe zou een biografie van Van Eeden eruit zien, wanneer bijvoorbeeld de auteur geen dagboek had bijgehouden? Dankzij het feit dat ook de vader van Van Eeden een dagboek heeft nagelaten, kan zijn portret scherp worden getekend, maar jammer is dat de moeder door het ontbreken van een journal intime in vage contouren op de achtergrond moet blijven. Op sommige momenten raak ik als lezer tezeer betrokken bij Van Eeden, omdat de gegevens van zijn eigen visie afhankelijk zijn, en mis ik tegenstemmen.

De correspondentie tussen Kloos en Verwey bijvoorbeeld moet wemelen van de opmerkingen over hun bentgenoot Van Eeden, maar Fontijn refereert er niet aan. Hoe aangenaam en verhelderend de tegenstem kan werken, bewijst Lodewijk Van Deyssel, wanneer hij in een brief aan Van Eeden zichzelf en zijn vriend genadeloos scherp neerzet: 'Zoo als jij in 't algemeen mijn werk vindt: virtuositeit zonder fond, zoo vind ik het jouwe: streven zonder bereiken.' De zwakke momenten in Fontijns studie vind ik die over Van Eedens literatuuropvattingen. Uiteraard kan een biograaf niet tegelijk een studie over de poetica van zijn auteur geven, maar de vijf bladzijden die eraan gewijd zijn, maken de lezer niet echt veel wijzer. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld de rol die de significa in Van Eedens taalopvattingen heeft gespeeld en waarvoor met name Lady Victoria Welby van belang is geweest. Fontijn noemt het begrip 'significa' wel enkele malen, maar nergens geeft hij het substantiele aandacht. Het is een van de zeer weinige zaken waarin Kalff zich de meerdere van Fontijn toont.

Op 11 september 1922, tien jaar voor zijn dood, noteert Van Eeden in zijn dagboek: 'Gister een rustige dag, met een lang bezoek van dr. Kalff, mijn biograaf. Dit is de man die belooft mij recht te zullen doen. Een boek schrijft hij, van 300 bladzijden, waarvan de helft voltooid is. Nu voel ik mij rustig. Nu kan mijn werk niet worden doodgetrapt, zooals ik dikwijls vreesde. Het is gered, en ik voel alsof mijn arbeid nu bijna ten einde is. Een hooger succes verlang ik niet. Ik werkte niet voor niet. De rest is in Gods handen.'

God moet het in 1927 niet goed met hem voor hebben gehad, getuige het boek dat Kalff uiteindelijk produceerde. Hoe Van Eeden erop reageerde, weet ik niet, aangezien de uitgave van zijn dagboeken nog niet zo ver is gevorderd. Na met een gebaar van valse bescheidenheid de resultaten van zijn studie te hebben gerelativeerd, merkt Kalff ten aanzien van de toekomstige biografen in zijn slotwoord op: 'Er komt misschien een onmeedoogende jongeling, die onzen held heelemaal uitkleedt en nog aan de paal ranselt ook; of een barmhartige grijsaard, die hem daarentegen zoetjes alle builen zalft. Ik voor mij houd een gecombineerde kuur voor heilzamer.' De lectuur van Kalffs boek resulteert in een gevoel van indigestie: ik hoef de naam Van Eeden niet meer te horen en zijn literaire produkten laat ik, althans voorlopig, maar in de kast staan. Na lezing van Fontijns biografie voel ik de behoefte om het werk van Van Eeden te herlezen en kijk ik verlangend uit naar het tweede deel. Het is een knappe prestatie.