Hongaarse virtuozen geestdriftig en zinderend

De afgelopen decennia raakten traditionele kamerorkesten als het Italiaanse I Musici ten gevolge van de authentieke muziekpraktijk een beetje in diskrediet. Ze bleven weliswaar bestaan, maar naast de vele camerata's, collegia musica en anders betitelde barokorkesten, werden ze eigenlijk niet meer helemaal serieus genomen. Ook het muziekleven is aan modes onderhevig. Na de zegetocht van darmsnaren, vibratoloze buiktonen en ritmisch pregnante articulaties, lijkt het publiek echter inmiddels wel weer in voor 'ouderwets' zingende melodieen op 'moderne' instrumenten.

Sinds het eind van de jaren tachtig is er een opmerkelijke opkomst van kamerorkesten oude stijl: de Solisten van Moskou, de Virituozen van Moskou, het Orpheus Chamber Orchestra uit New York, het Belgische I Fiamminghi en het Nieuw Sinfonietta Amsterdam. De beide laatste orkesten zijn dezer dagen ook te horen in de Zomerserie van het Amsterdamse Concertgebouw. De overeenkomst tussen deze ensembles is dat ze zich zo goed als niets aantrekken van de historische muziekpraktijk, terwijl ze zich met 'I Musiciaanse' virtuositeit storten op een repertoire dat zich uitstrekt van de vroege barok tot aan hedendaagse componisten als Schnittke of Part.

Ook de in 1988 in Boedapest opgerichte Hungarian Virituosi maakt deel uit van deze nieuwe beweging. Gisteravond presenteerde dit jonge kamerorkest zich met Vivaldi, Boccherini, Bartok en Barber in het Concertgebouw en maakte daarbij op verheugende wijze indruk. Instrumentale virtuositeit, muzikale geestdrift en een warme orkestklank die zindert van liefde voor de muziek behoren tot de kenmerkende eigenschappen van dit temperamentvolle ensemble. den wordt Boccherini, wiens aanstekelijke schildering van 'La Casa del Diavolo' onmiddellijk naar opname in de hel doet verlangen, zo spontaan en gedreven ten gehore gebracht. Enerzijds deden de Hungarian Virituosi recht aan de kleinste harmonische en melodische details van deze contrastrijke muziek, die werden uitgespeeld met een verrassend subtiel gevoel voor timing, frasering en dynamiek. Anderzijds was de spanningsopbouw van de eerste tot en met de laatste noten overtuigend en werd, dank zij de bijna bezwerende leiding van dirigent James Brooks Bruzzese, de grote lijn geen moment uit het oog verloren.

Na een geslaagde vertolking van Barbers Adagio, niet sentimenteel maar wel mooi om bij weg te dromen, volgde met de kleurrijke interpretatie van Bartoks Roemeense Dansen een tweede hoogtepunt. Daarna werden de Vier Jaargetijden van Vivaldi, waarbij het genuanceerd en markant begeleidende orkest opnieuw een opmerkelijke prestatie leverde, enigszins een teleurstelling ten gevolge van het weinig overtuigende vioolspel door solist Miklos Szenthelyi. Ternauwernood opgewassen tegen de technische eisen van zijn lastige solopartij, trachtte Szenthelyi een tekort aan muzikale en instrumentale bagage te compenseren door zichzelf te overschreeuwen. Gemaniereerd effectbejag, verkeerde accenten en gejaagde fraseringen waren, naast enkele geslaagde cantabile passages het resultaat. Jammer, want Szenthelyi heeft als violist wel de capaciteit om met een bescheidener instelling goede resultaten te boeken.

    • Wenneke Savenijeconcert
    • Viool. Programma
    • Op. Nr. 4. Barber Adagio Op. 11. Bartok
    • de Vier Jaargetijden
    • Roemeense Dansen. Vivaldi
    • Boccherini Symfonie 'La Casa Del Diavolo'