Er is geen groter genie dan het Franse; Een bloemlezing uitde Nouvelle Revue Francaise

Zeker in Nederland werden literaire tijdschriften opgericht door schrijvers die niet door iedereen gelezen wilden worden, schrijft Willem Frederik Hermans. 'De redacties waren meestal samengesteld uit schrijvers, dichters en professoren die weinig of niets schreven en zo hun namen op de omslagen kregen.'

Dit geldt niet voor het Franse literaire tijdschrift Nouvelle Revue Francaise, dat van 1908 tot 1940 zijn bloeiperiode had en waarvan onlangs een bloem- lezing verscheen. 'Wat interessant was, kwam in de Nouvelle Revue Francaise. Wat daar niet in kwam, was niet interessant.' Ik kan me sterk vergissen, maar ik geloof dat er in het fenomeen 'literair tijdschrift' enigszins de klad is gekomen. Tijdschriften bestaan er genoeg, maar de kenmerken van echte literaire tijdschriften vertonen ze nog maar weinig.

Wat was een literair tijdschrift? Een meestal maandelijkse publikatie van een hoeveelheid tekst die niet iedereen wou lezen.

Tijdschriften die iedereen las waren dus geen literaire tijdschriften.

Als een schrijver overstapte uit een literair tijdschrift naar een ander dat goed rendeerde en royaal betaalde, kon hij moeilijkheden verwachten.

Paradoxaal verschijnsel: literaire tijdschriften deden vooral van zich spreken toen zij niet, zoals nu, gemakkelijk overheidssubsidie konden krijgen.

Kort na de bevrijding waren de oprichters in spe van literaire tijdschriften vol verwachting in Nederland. Ook in Frankrijk waar Les Temps Modernes op het toneel verscheen.

Maar de bloeiperiode van de literaire tijdschriften valt toch, ruim bemeten, in de periode 1880-1940. Zeker in ons land waren de grondvesters van dergelijke periodieken niet alleen schrijvers en dichters die niet door iedereen gelezen werden, maar vooral ook zulke die niet door iedereen gelezen wilden worden.

Zo had je protestantse literaire tijdschriften voor protestanten, vrijzinnig protestantse voor vrijzinnige protestanten, je had katholieke tijdschriften en tijdschriften voor jonge katholieken. Er waren socialistische en communistische literaire tijdschriften. En ten slotte, ook tijdschriften door en voor iedereen die noch protestant noch katholiek, die rood was noch zwart, maar zich wel verbeeldde een uiterst veeleisende literaire smaak te bezitten. Die bladen schreven voor 'de elite'. Daar kwamen ze rond voor uit.

De oplagen van literaire tijdschriften bereikten zelden of nooit meer dan duizend exemplaren. Vijfhonderd was normaal.

Gewoonlijk verdwenen literaire tijdschriften na een jaar of wat. De literairste van alle literaire tijdschriften vermeldde ik intussen nog niet. Dat waren de bladen die van alles en nog wat vernieuwen zouden, mikkend dus op lezers die alles wat er tot dusverre al dan niet in tijdschriften gepubliceerd was, afkeurden en in de eerste plaats wat nieuws wilden.

De vernieuwingsgezindheid die de stichters van zulke literaire tijdschriften bezielde, bleek gewoonlijk een splijtzwam. Van de nieuwste gids splitste zich alras een nog nieuwere gids af, ook al noemde hij zich niet zo.

Wie oude jaargangen van dergelijke bladen eens inkijkt, zal met verbazing moeten vaststellen dat de redacties meestal samengesteld waren uit schrijvers, dichters en professoren die weinig of niets schreven. Het leek er veel op of ze hun tijdschriften hoofdzakelijk hadden gesticht om hun namen op een omslag te krijgen en medewerkers aan te trekken die wat er in het omslag zat, moesten vullen.

Dit ging niet onopgemerkt voorbij. Wakkere uitgevers kwamen tot de meer dan eens noodlottig gebleken slotsom dat het uitgeven van een literair tijdschrift hen in de gelegenheid stelde de hand te leggen op nieuwe begaafde schrijvers. Al waren literaire tijdschriften doorgaans verliesposten, als een uitgever het zich enigszins veroorloven kon, nam hij er een onder zijn hoede. Kreeg hij (en niet de redactie van het tijdschrift) een veelbelovend manuscript toegestuurd door een onbekende, dan meende hij zijn risico te kunnen beperken door het eerst geheel of gedeeltelijk te laten publiceren in 'zijn' tijdschrift. Voor het uitoefenen van enige druk op de redactie deinsde hij niet terug, maar dikwijls hoefde hij van zijn machtspositie geen misbruik te maken. Dit laatste gebeurde eerder als de redactie iets plaatste waardoor de uitgever zijn goede naam in gevaar gebracht dacht.

Ik heb verscheidene uitgevers gekend die bij het hebben van een literair tijdschrift zwoeren, hoe akelig zij ook jammerden over de onkosten.

Er bestonden er zelfs die zich de beste schrijvers uit het door hen gepubliceerde en gefinancierde tijdschrift lieten wegkapen door andere uitgevers. Dit is natuurlijk lang geleden. Het was in de tijd dat uitgevers nog niet alles durfden, of, duidelijker gezegd, voor haast alles benauwd waren.

Er is een periode geweest waarin er in Amsterdam twee uitgevers bestonden die toevallig allebei Geert van hun voornaam heetten, hoewel ze niet dol op elkaar waren en ongaarne met elkaar werden verwisseld. De ene had ogenschijnlijk zijn ziel en zaligheid verkocht aan het literaire tijdschrift als bron van en proeftuin voor een bloeiend uitgeversbedrijf, maar hij wist de redacties van zijn tijdschrift altijd zo te kiezen dat goede schrijvers liever in een ander blad publiceerden. Toch bleef hij zweren bij 'zijn' tijdschrift, al leverde het zijn fonds nooit nieuw ontdekte schrijvers. In arren moede schreef hij ten slotte zelf z'n tijdschrift maar vol. Bovendien debuteerde hij bij zichzelf in boekvorm. Nieuw of niet, honorarium bespaarde dit in elk geval.

De andere Geert had werkelijk de grootste pech die er op het gebied van de tijdschriftenuitgeverij te bedenken valt: geen door hem uitgegeven blad duurde langer dan een nummer of drie. Dit kwam doordat zijn uitgeverij zo goed was, dat zij alle goede manuscripten die zij in handen kreeg naar de drukker stuurde zonder ze de voorzichtige omweg over een tijdschrift te laten nemen. Maar dit had deze Geert niet in de gaten, of misschien ook wel. Er was niets waar hij zo luidkeels om kon roepen als om 'een debuut'. Het eerste boek van een schrijver verwekt soms immers meer rumoer dan het tweede. Had iets eerst in een tijdschrift gestaan, dan was het feitelijk geen debuut meer. Daardoor zal het gekomen zijn dat zijn tijdschriften mislukten.

Benauwd

Een schrijver kan maar eenmaal debuteren. Sommige debuteren tweemaal zonder dat iemand het in de gaten krijgt. Dat is niet best natuurlijk en verhindert allerminst dat uitgevers die bij debuten zweren, het gevaar lopen van tijd tot tijd dozen vol eendagsvliegen naar De Slegte te moeten brengen.

Het verleidelijkste voorbeeld van een literair tijdschrift, de onbereikbare top die elke uitgever bereiken wilde, is van 1908 tot 1940 de Nouvelle Revue Francaise geweest. Nu nog, trouwens.

Niet alleen in Frankrijk, maar ook in Nederland, Engeland, Duitsland of Amerika bestaat geen literaire-tijdschriftmaker die niet aan de Nouvelle Revue Francaise denkt, als hij zich afvraagt of het tijd wordt weer eens een literair tijdschrift op te richten.

Een derde van een eeuw lang wist de Nouvelle Revue Francaise in Frankrijk vrijwel alle copie tot zich te trekken die niet alleen in de jaren waarin ze deze afdrukte, maar dikwijls tot de huidige dag talloze ernstige lezers boeit. Weldra werd de naam van het blad overgenomen door de voortaan gelijknamige uitgeverij. Deze, geleid door Gaston Gallimard, publiceerde de belangrijkste in het tijdschrift verschenen bijdragen vervolgens in boekvorm. Nooit heeft een literair tijdschrift zoveel prestige gehad en een zo grote aantrekkingskracht. Wat interessant was, kwam in de Nouvelle Revue Francaise. Wat daar niet inkwam, was niet interessant.

Dit laatste is natuurlijk een legende maar een taaie legende. Er waren wel degelijk nog andere belangrijke literaire tijdschriften die vast verbonden waren aan een gelijknamige uitgeverij, zoals de achttien jaar oudere Mercure de France. Maar de Nouvelle Revue Francaise bezat toch meer mana.

Zij werd niet opgericht door schrijvers die niet door iedereen gelezen wilden worden, evenmin door zulke die wel al lang door iedereen werden gelezen. Zij was niet katholiek, protestant, liberaal of rood, hoewel stellig eerder links dan rechts.

Wie de beginselverklaring van de Nouvelle Revue Francaise geschreven heeft, is niet eens bekend. Trouwens, klinkt de term beginselverklaring niet veel te weids voor de nog geen twintig regels tekst waarmee het eerste nummer (van 15 november 1908) begint? De in dit tijdschrift verenigde schrijvers, zo wordt daar verklaard, behoren chronologisch gezien tot de generatie die onmiddellijk op de symbolisten is gevolgd. Romanschrijvers en dichters die tien tot twaalf jaar eerder debuteerden, hopen hun verspreide inspanningen te verenigen. 'Als dit tijdschrift zoals men ziet, niet helemaal een jongerentijdschrift is, het is niet minder een jong tijdschrift dat open staat voor de generatie die nu aantreedt.' Eenvoudiger kon het niet, en nauwelijks minder dogmatisch.

Dat eerste nummer, gedrukt in zevenhonderd gewone en honderd luxe exemplaren bevatte bijdragen van Michel Arnauld, Charles Louis Philippe, Marcel Boulenger, Jean Schlumberger, T. E. Lascaris, Jean Viollis, Andre Ruyters, Francesco Coppola en Leon Bocquet met uitzondering van Philippe en Schlumberger zijn deze schrijvers allemaal volledig vergeten.

De naam van het blad was bedacht door Eugene Montfort en dit is de grootste dienst geweest, die hij er ooit aan bewezen heeft.

Niet in dit eerste nummer vertegenwoordigd was Andre Gide, maar hij was toch de grote geest op de achtergrond, om niet te zeggen de biechtvader van de hele onderneming. Hij is dit tot 1940 gebleven. Over de uitgever die de Nouvelle Revue Francaise weldra onder zijn hoede nam, Gaston Gallimard, zwijg ik nog even.

Eigenlijk moeten er drie, enigszins verschillende incarnaties van de NRF worden onderscheiden.

De eerste bestond van 1908 tot 1914. Wegens de Eerste Wereldoorlog werd de publikatie gestaakt.

Dan komt in 1919 de tweede NRF, onder leiding van Jacques Riviere, tot diens dood in 1925. De derde NRF werd beheerd door Jean Paulhan totdat in 1940, na de Franse nederlaag tegen de Duitsers, het tijdschrift onder Pierre Drieu La Rochelle helemaal de verkeerde kant opging.

Bloemlezing

Uit negenentwintig jaargangen stelde Pierre Habey een bloemlezing samen.

L'Esprit NRF 1908-1940 telt met inhoudsopgave en registers mee 1326 bladzijden. Dit lijkt veel, maar is natuurlijk feitelijk maar weinig.

De NRF bestond en bloeide in een periode die wel een 'gouden tijd' voor de Franse literatuur is genoemd.

Tientallen schrijvers die nog vermaard zijn en geregeld worden herdrukt, werkten er meer of minder regelmatig aan mee. Om maar eens enkele namen te noemen: Jules Romains, Paul Valery, Saint-John Perse, Alain-Fournier, Valery Larbaud, Albert Thibaudet, Leon-Paul Frague, Julien Benda, Pierre Drieu La Rochelle, Roger Martin du Gard, Marcel Proust, Paul Morand, Paul Eluard, Andre Breton, Louis Aragon, Benjamin Cremieux, Raymond Radiguet, Andre Salmon, Philippe Soupault, Paul Leautaud, Charles Du Bos, Albert Cohen, Andre Malraux, Francois Mauriac, Paul Claudel, Pascal Pia, Gabriel Marcel, Andre Maurois, Antonin Artaud, Julien Green, Roger Vitrac, Robert Aron (die erin debuteerde met twee lovende besprekingen van surrealistische films), Alain, Jean Cocteau, Denis de Rougemont, Henri Michaux, Maurice Sachs, Henry de Montherlant, Raymond Queneau en Jean-Paul Sartre. 'Gide, Riviere, Gallimard, Paulhan', zegt Pierre Hebey, 'wat ook de verschillen tussen hen mogen zijn geweest, geloofden toch in twee principes: geen groter beroep dan dat van schrijver, en geen groter genie dan het Franse genie.' Misschien hadden ze zelfs wat dit laatste betreft gelijk.

In elk geval geloofden ze rotsvast dat schrijvers de grootst mogelijke vrijheid verdienden. Zeer uiteenlopende meningen werden dan ook in de Nouvelle Revue Francaise geduld. Auteurs die soms heel vijandig tegenover elkaar stonden, konden zich doen horen in dit blad. Ruzies waren aan de orde van de dag, werden soms bijgelegd, maar soms ook niet. Duels aangekondigd, maar op het nippertje afgeblazen, waarna de uitdager de uitgedaagde voor 'zeer voorzichtig' uitmaakte. Men leefde tenslotte in de twintigste eeuw.

Dogmatisch of niet, geen geheim maakte de NRF van de mening dat zij een tijdschrift door en voor 'de elite' was.

Nog altijd befaamde en gelezen boeken die bij Gallimard terechtkwamen na geheel of gedeeltelijk in de Nouvelle Revue Francaise te hebben gestaan, zijn onder meer: Gide, La porte etroite (1909); Valery Larbaud, Fermina Marquez; Jean Giraudoux, Jacques l'egoiste (1910). Gide, Isabelle; Paul Claudel, L'Annonce faite a Marie - de proloog hiervan (1911). Paul Claudel, L'Annonce faite a Marie (1912). Valery Larbaud, A. O. Barnabooth, journal d'un milliardaire; fragmenten uit Alain-Fournier Le grand Meaulnes; Roger Martin du Gard, Jean Barois (1913). Gide, Les caves du Vatican; eerste publikatie, posthuum, van Gobineau's Mademoiselle Irnois. Twee fragmenten uit Proust, A la recherche du temps perdu (1914). Proust, Albertine disparue; Gide, La symphonie pastorale (1919). Gide, Si le grain ne meurt; Samuel Butler, Erewhon, vertaald door Valery Larbaud; Valery Larbaud, Beaute mon beau souci; Aragon Anicet en het belangrijke essay van Proust over de stijl van Flaubert (1920). De NRF heeft in dit jaar 7000 abonnees.

Valery Larbaud, Amants, heureux amants (1921). Mauriac, Le fleuve de feu (1922). Raymond Radiguet, Le bal du Comte d'Orgel (1924). Gide, Les faux-monnayeurs (1925). Julien Green, Le voyageur sur la terre; Duhamel, Journal de Salavin (1926). Andre Malraux, Les conquerants; Kafka, La metamorphose, vertaald door Alexander Vialatte (1928). Paul Morand, Champion du monde (1930). Marcel Jouhandeau, Elise (1931). Andre Malraux, La condition humaine (1933). Montherlant, Les jeunes filles (1936). Jean-Paul Sartre, Le mur (1937). Raymond Queneau, Un rude hiver (1939). Henri Michaux, Au pays de la magie (1940).

Vergissingen

Vergisten de redacteuren van de Nouvelle Revue Francaise zich nooit? Deden zij en Gallimard altijd de juiste keuze, zagen zij niemand over het hoofd? Neen, helaas.

Proust ging hun neus bijna voorbij en Celine, althans voor 1945, helemaal. Wel schreef, van berouw misschien de boot gemist te hebben en omdat hij bovendien zelfs Mort a Credit aanvankelijk verkeerd beoordeeld had, Gide niet alleen een spijtbetuiging over die misvatting, maar zelfs een soort verdediging van Celine's woest-antisemitische pamflet Bagatelles pour un massacre (Kleinigheden voor een massamoord) een sinistere, voorspellende titel, wat in 1938 niemand wist, ook Celine niet. Met die massamoord bedoelde hij de in het verschiet liggende Tweede Wereldoorlog en de 'kleinigheden' waren de Duitse anti-joodse maatregelen, die de massamoord niet zouden rechtvaardigen.

Wegens de overweldigende hoeveelheid feitelijke onzin die dit boek bevat, meende Gide het als een parodie op het anti-semitisme te moeten opvatten. Hij loofde de verbale kwaliteiten ervan en kon zich niet voorstellen dat Celine de joden zo haatte.

Pas na de oorlog, toen Celine's bloei ook in eigen ogen voorbij was, kreeg Gallimard hem in zijn fonds. Want Gallimard gaf de moed niet gauw op. Ook aarzelde hij nooit goede schrijvers die niet door 'zijn' tijdschrift waren ontdekt, in te palmen als het even kon.

De bloemlezing van Pierre Hebey bevat onder meer het hier kort gekarakteriseerde stuk van Gide over Celine.

Het spreekt vanzelf dat niets van alles wat naderhand in boekvorm gepubliceerd is (zie de beknopte opsomming hierboven) overgenomen is in de bloemlezing. Dat zou zinloos zijn geweest. Op deze dertienhonderd bladzijden vinden we natuurlijk juist het bijwerk. Kronieken, kritieken, aantekeningen, ingezonden brieven en polemieken die nergens anders te vinden zijn dan in de oorspronkelijke jaargangen van de NRF. Maar ook dit bijwerk is in het toch al erg dikke boek niet volledig herdrukt en wie zou willen weten of Hebey wel altijd de juiste keuze heeft gedaan, zal zich toch naar een bibliotheek moeten begeven, de negenentwintig bloemgelezen jaargangen opvragen en stuk voor stuk doornemen om te weten te komen wat er zoal weggelaten is.

Ik moet bekennen dat ik zo ijverig niet ben geweest. Ik beschouw L'Esprit NRF 1908-1940 als een leesboek en een eerste orientatie voor wie die geest wil leren kennen.

Vooral als het om polemieken gaat die, naar bekend, dikwijls heen- en weergeschrijf ten gevolge hebben dat nummer-in nummer-uit kan duren, zal wie het naadje van de kous wil weten zich in de Bibliotheque Nationale moeten wagen, niet alleen omdat de bloemlezing mogelijk onvolledig is, zoals ik al zei. Over geruchtmakende zaken hebben ook andere tijdschriften een woordje te zeggen gehad, uiteraard.

Aan destijds schandalige, maar nu eerder vermakelijke gedachtenwisselingen is er in dit bijwerk geen gebrek.

In 1934 werd Gide communist. Drie jaar later toog hij naar de Sovjet-Unie (met Jef Last als tolk, die hem elke ochtend de Pravda voorlas), kwam teleurgesteld terug en schreef Retour de l'URSS over zijn ervaringen.

Ontsteltenis onder de elite! Wilde de grote goeroe de nazi's in de kaart spelen? Was hij opgekocht door het monopoliekapitaal? Andre Malraux werd geraadpleegd en vond de publikatie 'niet opportuun'. De communist Benjamin Cremieux schreef een waardige bestrijding (op. cit., blz. 1126). 'De grote verdienste van het democratisme (sic WFH) en het marxisme is hun soepelheid. We moeten Gide zeer dankbaar zijn dat hij de verstening waardoor de toepassing van het marxisme in Rusland wordt bedreigd, krachtig aan de kaak heeft gesteld en omdat hij de mannen van goeden wille heeft uitgenodigd de verschillende mogelijkheden het marxisme tot werkelijkheid te maken, te bestuderen.' En zo voort, en zo voort.

Drieenvijftig jaar later zijn de Russen hem nog altijd niet dankbaar. Zelfs de mannen van goeden wille hoeven de moeite ook niet te nemen alsnog naar hem te luisteren. Studie van de mogelijkheden het marxisme kwijt te raken blijkt urgenter.

L'Esprit NRF 1908-1940. Edition etablie et presentee par Pierre Hebey. Paris, Gallimard, 1990. Prijs: 260 F.