Een dramatische wending voor Oranje

'Heb je ook nog de tijd gekend dat de aardappelen per schip werden aangevoerd?' wordt mij gevraagd. Nee, maar de opmerking is veelzeggend, geladen. Ik ken het uit de verhalen. Hoe lang is het geleden dat het laatste schip bij de fabriek aanlegde? Ver voor mijn tijd.

De vroegere aardappelmeelfabriek in Oranje, Drenthe. (Foto Sake Elzinga)

Niet iedereen zal bij het woord 'oranje' denken aan een plek in Drenthe, een paar huizen, en vooral een aardappelmeelfabriek, die overigens al bijna tien jaar geleden gesloten werd. De tocht langs het kanaal maak ik voor het eerst per fiets. Het is rustig en er hangt een wat dromerige sfeer: vissers, een veulen dat zich uitstrekt in de zon. Het kanaal heeft ook iets melancholieks, want het ligt daar maar een beetje mooi te wezen nu zijn functie als waterweg verdwenen is en het gezwoeg is vergeten. Voor mij is er echter niets veranderd. Twee jaar heb ik in Drenthe gewoond, tweemaal heb ik tijdens de aardappelcampagne op de fabriek gewerkt. In de verte zie ik de meelsilo boven de bomen uitsteken. Het staat er allemaal nog, hoop ik.

Laat ik maar meteen de slechtste eigenschap van de fabriek noemen: zij stonk. Zij waterde rijkelijk uit over haar vloeivelden en had weinig mededogen met het natuurreservaat dat daar vlak achter lag. Soms was de geur van rottend eiwit tot aan de rand van Assen waar te nemen. Maar dan het inwendige; hoe moet u zich dat voorstellen? Achter de helblauwe deur aan het eind van de gang klinkt al een vervaarlijk gerommel. Binnen is het lawaai overweldigend. Aardappels spoelen door een goot de hal in, liggen hoog boven je te schudden, vallen dan weer uit een weeginstallatie; een proces dat op het eerste gezicht ontworpen lijkt te zijn om een imposant beeld van het begrip 'fabriek' te geven. Er is een hoge ruimte, gevuld met wielen en aandrijfriemen, vele vertakkingen vanaf het grote vliegwiel dat ons leidt naar de krachtbron: de stoommachine, die in een aparte, zeer schone ruimte staat, een soort heiligdom. Voor het contrast gaan we naar de andere kant, waar de controlekamer in alles doet denken aan een moderne chemische fabriek.

Oranje had al gesloten moeten zijn toen ik er voor het eerst kwam. Het bedrijf Oostermoer was intussen vernieuwd. Een grote, moderne en schone fabriek, die dat jaar echter tegenvallende produktiecijfers moest opgeven. Op Oranje verkneukelden ze zich daarover. 'Ik zie ons hier nog wel een tijdje zitten.' Onze fabriek. Zelfs ik had dat gevoel, hoewel ik 'westerling' was, campagne-arbeider die het laatste deel van de buit bijeen aan het schrapen was om naar zuidelijke streken te vertrekken. Drie jaar zou het nog duren voor Oranje.

Het 'onderwatergewicht' van monsters geeft een indicatie van het zetmeelgehalte en is bepalend voor de prijs die de boer krijgt. De eerste campagne bracht ik door in het weeglokaal, als ik niet op een andere plaats moest invallen. Ik hielp er een man die bijna de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Hij was het vooral die beeldend kon praten over het Drenthe van vroeger, over de povere levensomstandigheden, over schepen en schippers en kroegen. Dit beeld werd aangevuld door oude foto's die een sfeer van troosteloosheid opriepen: turfstekers, kanalen die met de schop gegraven werden, een groep werklieden die er uitzagen als dwangarbeiders.

Het tweede jaar was de man ziek. Ik nam zijn werk over. Aurora's, Crostars, nog maar een paar namen van aardappelrassen die ik toen genoteerd heb, zijn blijven hangen. Cooperatieve fabrieken van boeren, landbouwgewassen, aardappelrassen, het waren zaken waar ik tevoren nooit aan dacht. Lange nachten met in de hoek een monitor waarop een monotone stroom aardappels was te zien. En er was veel dat aan een verleden vasthaakte waar ik achter probeerde te komen. Weinig rooskleurig is dat geweest, maar dat is geen reden om het tot de vergetelheid te doemen.

Over de nieuwe bestemming heb ik slechts geruchten gehoord. Er zijn berichten geweest in de plaatselijke pers. Soms geeft de realiteit een oplossing van de geschiedenis waar fictie niet aan kan tippen. Een pretpark? Wordt het een pretpark? Nee, toch ook weer niet, meer een recreatiepark met attracties, hoor ik dan. Je moet gevoel voor nuances hebben, nietwaar? Het is een slepende kwestie, waarbij een instantie dwarsligt en een stuk grond niet wil afstaan omwille van het natuurbehoud. Zoiets heb ik gehoord.

De gebouwen zijn er nog. Op het voorterrein, waar vroeger installaties stonden, is nu een bloemperk met rotspartijen aangelegd. Keurig, ja maar wat heet mooi? Het lijkt me dat het complex blijft staan. Binnen zijn ze bezig. Er staan auto's van de nieuwe eigenaar uit Slagharen. Eigenlijk had ik verwacht dat de fabriek verlaten zou zijn, of afgebroken. Op het achterterrein zijn enorme aarden wallen opgeworpen, waarvan de functie mij onduidelijk is. Dan kom ik een oudere man tegen die staat te fotograferen. Misschien heb ik het geluk iemand te treffen die herinneringen koestert. Nee, hij heeft er niet gewerkt, maar herinneringen heeft hij wel. 'Heb je de tijd nog gekend dat de aardappelen per schip werden aangevoerd?' Wat er nu komt? Hij houdt het op een pretpark. Voorzichtig informeer ik wat de mensen uit de buurt ervan vinden. Daar was men in het begin niet zo gelukkig mee, beweert hij, maar ach, het zijn dingen die je blijkbaar niet kunt tegenhouden. Die berusting meen ik te herkennen uit deze streek. De weger die mij zoveel verhalen vertelde, komt uit dezelfde plaats als hij. Misschien kent hij hem. Ik hoor een naam en twijfel. Hebben we het over dezelfde persoon? 'Die is dood', zegt hij met de intonatie van 'al lang'. We kijken nog eens om ons heen. Ik ben niet de enige die het een bizarre wending vindt voor Oranje.

Op de terugweg ziet het Oranjekanaal er grimmiger uit: de zon is weg, er dreigt regen. Het bezoek aan het cafe heeft me niets wijzer gemaakt; niets over de bestemming en de strubbelingen, niets over mensen die ooit in de fabriek gewerkt hebben. Ik zou een gemeentevoorlichter kunnen bellen. Maar wat voor waarheden zouden daarmee te winnen zijn? Het ging immers om de fabriek en het raadselachtige dat zo vertrouwd was tegelijk, om een geschiedenis die ik ooit eens toevallig heb aangeraakt. De herinnering moest nog even opflakkeren voordat het vergeten begint en het vermaak.

Op de weg staat een stevige, zwarte, gladharige hond. Hij schiet de struiken in bij het erf, om mij even later onverhoeds te kunnen bespringen. Een indringer ben ik, in dit landschap van de Drenten.

Frans van der Schraaf debuteerde met de verhalenbundel Boerenwhisky

Debuterende schrijvers reisden op verzoek van deze krant naar een plaats in Nederland of Vlaanderen die hen al lang fascineerde. In het derde verhaal reist de schrijver naar een voormalige aardappelmeelfabriek.