Duur is mooi; De record investeringen van Japanse bedrijvenin kunst

Waar komt de belang- stelling van Japanners voor internationale kunstvandaan? Waarom bieden zij de laatste jaren op veilingen recordbedragen voor schilderijen? Wat de investerende bedrijven beweegt is niet alleen liefde voor de kunst, ze zijn vooral uit op naamsbekendheid en goodwill. Elbrich Fennema bezocht kunsthandels, musea en ook warenhuizen, die met tentoonstellingen een chique indruk willen maken. 'Ze zouden het hele defensiebudget aan kunst moeten besteden. Dat heeft nog een defensief effect ook. Kyoto is immers niet gebombardeerd tijdens de oorlog vanwege zijn culturele waarde.' Niemand had tot voor kort enige notie dat in de magazijnen van de Dainippon Inktfabriek in Sakura, een stadje onder de rook van Tokio, achthonderd kunstwerken stonden opgeslagen. Dat bleek pas toen vorige maand het Kawamura Museum zijn deuren opende. Daar zijn de schilderijen te zien die drie generaties inktfabriekdirecteuren in een kleine eeuw hebben verzameld. Er hangen Rembrandts, Monets, Renoirs, Picasso's, Chagalls, Pollocks en Stella's waarvan niemand wist dat ze in Japan waren. Grootvader, vader en zoon Kawamura zijn, zoals de meeste Japanse kunstkopers, heel discreet te werk gegaan bij het aanleggen van hun collectie.

Het tempo waarin Japanse kopers op hooggewaardeerde werken bieden is de laatste paar jaar opmerkelijk toegenomen. Deze zogenaamde 'art boom' begon in 1985, het jaar waarin de yen begon te stijgen. Het afgelopen jaar hebben Japanse kopers naar schatting 12 miljard gulden besteed aan kunstwerken. De helft daarvan is in het buitenland uitgegeven. Japan neemt daarmee ongeveer een derde van de mondiale kunstmarkt voor haar rekening en dat bezorgt haar de tweede plaats op de wereldranglijst van kunstkopende naties, na de Verenigde Staten.

Waar de kunstwerken blijven in Japan is moeilijk te volgen. Kopers met beleggingsoogmerk houden hun aankopen vaak geheim uit bezorgdheid over belastingaanslagen. Het in bruikleen geven van kunstwerken aan een museum is daarom zeldzaam. Ook donaties zijn om belastingtechnische redenen onaantrekkelijk. Dat kunstveilingen in Japan niet openbaar zijn heeft wederom fiscale oorzaken. Bij veilingen wordt een select groepje belangstellenden uitgenodigd. En het blijft een geheim wat er zoal, aan wie en voor hoeveel yen, wordt verhandeld.

De meest geruchtmakende Japanse aankopen zijn wat dat betreft uitzonderingen. 'Het Portret van Dr. Gachet' van Van Gogh en 'Au Moulin de la Galette' van Renoir komen te hangen in het prefecturaal museum van Shizuoka. Dat is de geboorteplaats van Ryoei Saito, de directeur van Daishowa Papier- en Pulpfabrieken die onlangs 160,6 miljoen dollar neertelde voor deze twee schilderijen. Het zijn nu de twee duurste doeken ter wereld.

Drie jaar geleden vestigde de vrachtverzekeraar Yasuda Kasai voor het eerst het oog van de wereld op de kapitaalkrachtige Japanse kunstkopers door het toenmalige recordbedrag van 39 miljoen dollar te betalen voor de 'Zonnebloemen' van Van Gogh. Dit werk is nu te zien in het Yasuda Kasai Museum. In eerste instantie hing de trekpleister eenzaam in een soort heilige der heiligen van het museum op de 42ste verdieping van het hoofdkantoor van Yasuda Kasai in Shinjuku, het moderne zakencentrum van Tokio. Maar tegenwoordig worden de 'Zonnebloemen' geflankeerd door een stilleven van Cezanne en een dorpsstraat in Arles van Gauguin. Nog steeds is de stemming er plechtig. Behalve deze 'impressionistische zaal' exposeert het museum later werk van Grandma Moses en een immense hoeveelheid werk van de Japanse kunstenaar Seiji Togo, die vooral vrouwenportretten heeft gemaakt in het zigeunerinnetjesgenre.

Golfclub 'De nieuwe generatie kunstkopers moet je vooral zoeken onder de onroerend-goedmakelaars,' zegt Yoshihiro Nomura, de hoofdredacteur van het nieuwe kunstmaandblad Nikkei Art. 'Zij zijn de afgelopen paar jaar enorm rijk geworden door te speculeren met grond die jaarlijks tussen de dertig en zestig procent meer waard werd. Zo iemand rijdt in een BMW, draagt Italiaanse pakken, heeft een horloge van Gucci, is lid van een golfclub, slaat desalniettemin graag een rondje op een golfcourse op Hawaii, kan zich geisha's permitteren bij zijn banketten maar voelt zich meer op zijn gemak in een hostess bar.' Tot twee jaar terug schreef Nomura voor het blad Nikkei Business. 'Het verschil is niet zo groot,' zegt hij. 'Het lezerspubliek overlapt voor een groot deel.'

Omdat Nikkei Art alleen per abonnement te koop is, heeft Nomura een goed beeld van wie zijn blad leest. Het merendeel van de abonnees omschrijft Nomura als 'institutionele verzamelaars', bedrijven en individuen die kunst kopen als investering.

Nikkei Art is een loot van het Nikkei uitgeversconcern. Die dankt zijn bekendheid vooral aan de Nikkei Shimbun, Japans toonaangevende economische dagblad. De beursbarometer van deze krant, de Nikkei-index, is het kompas voor alle investeerders op de Beurs van Tokio. Nikkei Art heeft de hoogste advertentietarieven van alle kunstbladen (vijfduizend gulden voor een pagina A4 in kleur bij een oplage van achttienduizend explaren), het onomstotelijke bewijs dat Nikkei Art zich binnen twee jaar tijd tot het kunsttijdschrift met het meeste aanzien heeft opgewerkt. Menig kunsttijdschrift heeft door de komst van Nikkei Art moeten ophouden. 'Het ligt voor de hand,' zegt Nomura. 'Veel van die blaadjes waren gelieerd met galeries of kunsthandels, waardoor de berichtgeving niet objectief was. Nikkei Art heeft een hele andere achtergrond. Wij zijn heel degelijk.' De degelijkheid van Nikkei Art blijkt uit de talloze staatjes en grafiekjes. Prijzen per genre, per veiling en per kunstenaar worden over de jaren uitgetekend en overzichtelijk afgezet tegen de valutakoersen. De kunstkopers van vandaag kochten voorheen immers aandelen. Aandelen en kunst in Japan hebben een opvallende eigenschap gemeen: de prijzen liggen opvallend veel hoger dan in de rest van de wereld. 'Japan heeft nu eenmaal geld te veel, want het land verdient meer dan het uitgeeft,' legt Nomura uit. 'Jarenlang is dat in grond geinvesteerd en in aandelen. Pas de laatste jaren breekt het besef door dat je er niet per definitie nuttige dingen van hoeft te kopen, maar dat je er ook leuke dingen mee kan doen waarvan de effectiviteit of het nut minder zichtbaar is. Vooral onder oudere Japanners leeft nog steeds heel sterk het idee dat het zonde van je geld is om het aan ontastbare dingen uit te geven. Die gaan dan ook niet op vakantie.' Ondanks de nieuwe tijdgeest kan Nomura zelf toch niet de drang onderdrukken nuttige aspecten te zien. 'Met de 40 miljoen dollar die Yasuda Kasai voor de 'Zonnebloemen' neertelde heeft het bedrijf wel een enorm pr-effect bereikt. In een klap was een onbekende Japanse verzekeraar wereldberoemd. En het heeft 400 yen per polishouder gekost.' Yasuda Kasai verdient zijn geld ook weer aardig terug, want het aantal bezoekers aan het Yasuda Kasai Museum is verdubbeld sinds de 'Zonnebloemen' er te zien zijn.

De extravagante aankopen van Ryoei Saito een Van Gogh en een Renoir binnen een week dienen in hoofdzaak om de come-back van Saito in het zakenleven wereldkundig te maken, volgens Nomura. De Japanse boulevardpers beaamt het. Uitgebreid wordt verteld door welke dalen en langs welke afgronden Saito's carriere is gelopen. Ook wordt er steevast op gewezen dat de werken wellicht nog wat kunnen betekenen voor Saito's broer als hij campagne moet voeren voor zijn herverkiezing als prefecturaal gouverneur van Shizuoka.

Robot

In de kunsthandel van Hideto Kobayashi op de Ginza ruikt het naar verf. De hele zaak heeft een face-lift gekregen. Het lijdt geen twijfel dat de aankopen van Saito voordeel hebben opgeleverd voor Kobayashi, de kunsthandelaar die half mei het 'Portret van dr. Gachet' en 'Au moulin de la Galette' voor Saito heeft gekocht bij Christie's en Sotheby's. Ook Kobayashi's rol bij de opzienbarende koop wordt uitgebreid bekritiseerd. Hij wordt 'robot' genoemd, omdat hij niet meer kan dan orders uitvoeren. En 'opportunist', omdat zijn kunsthandel is gespecialiseerd in traditionele Japanse schilderijen en nog nooit aan westerse kunst heeft gedaan. 'Allemaal jaloezie,' zegt Kobayashi. 'Saito verzamelt al jaren kunst. Maar tot nu toe kocht hij hoofdzakelijk Japanse kunst, ook bij mij, en dat loopt niet zo in de gaten. Ik was buitengewoon verheugd toen Saito me vertelde dat hij die Van Gogh wilde kopen. Niet voor mezelf, maar omdat Japan met een groots schilderij wordt verrijkt. Het is nog zo'n armoe in Japan wat kunst betreft. Er ligt hier bepaald een taak voor de Japanse overheid. Ze zouden het hele defensiebudget aan kunst moeten besteden. En als ze dat dan goed verspreid over het land ophangen, heeft het nog een defensief effect ook. Kyoto is immers ook niet gebombardeerd tijdens de oorlog vanwege zijn culturele waarde.' Het aantal kunsthandels is de afgelopen drie, vier jaar verdubbeld. In de Ginza, de Champs Elysees van Tokio en het hart van de Japanse kunstwereld, zijn er rond de vijfhonderd, allemaal genesteld in de straatjes achter de grote warenhuizen. Nomura vermoedt dat sommige kunsthandels door onroerend-goedhandelaars worden gerund. Alleen al vanwege de dure locatie ligt dat erg voor de hand.

Autobanden 'Hoe sneller de 'art boom' is afgelopen, hoe liever het me is,' zegt Yasuo Kamon. Hij is directeur van het Bridgestone Museum, de culturele dochter van de gelijknamige autobandenmaker. Aan het hoofd van vrijwel alle andere bedrijfsmusea staat de directeur van de moederfirma, maar Kamon is kunsthistoricus. Ook is hij sinds jaren president van de Raad voor Japanse Kunstmusea, een overkoepelende organisatie voor de ruim 100 openbare musea en de 150 bedrijfsmusea die gewijd zijn aan de schone kunsten. De Raad pleit, nog zonder succes, voor een versoepeling van de belasting op donaties. Maar vooral dient het als forum om op de hoogte te blijven van elkaars activiteiten en ter stimulering van samenwerking. Daardoor is nu in het Bridgestone Museum de 'Menard'-collectie uit het museum van de cosmeticafabrikant Menard in Nagoya te zien. De Bridgestone-collectie en de Menard-collectie sluiten goed op elkaar aan. Ze zijn beiden gegroepeerd rond de impressionisten. 'Voor Japanners is het impressionisme de belangrijkste kunststroming,' zegt Kamon. 'Het is goed toegankelijk voor Japanners omdat het deels is geinspireerd door Japanse houtsneden. Bovendien was het de toonaangevende kunststroming toen Japan, in de tweede helft van de vorige eeuw, voor het eerst kennis nam van wat er gaande was in de wereld. Voor Japan was westerse kunst synoniem met het impressionisme. Eigenlijk gaat dat nog steeds op.' Het Bridgestone Museum werd in 1952 opgericht en is daarmee een van de oudere. Kamon heeft aan de collectie kunnen bouwen voordat de 'art boom' de concurrentie wakker maakte. Het Bridgestone museum trekt met zijn uitgebalanceerde collectie evenveel belangstelling als het Yasuda Kasai museum met zijn 'Zonnebloemen': 500 mensen per dag.

Een curator van een ander museum in Tokio zegt: 'De zogeheten 'art boom' heeft helemaal niets te maken met gestegen belangstelling voor kunst in Japan. De mensen die naar de 'Zonnebloemen' gaan kijken komen niet voor het schilderij. Dat is maar bijzaak. Eigenlijk komen ze 40 miljoen dollar bekijken.'