De beloonde deugd

Willibrordje uit Roermond: Het braafste kind dat ooit bestond, At altijd snel zijn bordje leeg, Bedankte steeds als hij wat kreeg, At Brintapap voor zijn ontbijt, En was nooit en nooit iets kwijt.

Hij poetste driemaal daags zijn tanden, Waste uit zichzelf zijn handen, Besmeurde nooit zijn schone kleren, Maar vroeg steeds: valt er wat te leren? Sprak altijd keurig met twee woorden Had nooit zin iemand te vermoorden, Zijn eten op de grond te smijten, Of een boek uiteen te rijten.

Voor zijn moeder deed hij klusjes, Zijn zakgeld gaf hij aan zijn zusjes, En ging uit wandelen met de hond: Het braafste ventje van Roermond.

Nee, onder dat gekamde haar Zat geen gedachte wild of raar. En daar in zijn doorzonwoning Kreeg hij beloning op beloning: Hij liep zonder ooit uit te glijen En won maar steeds in loterijen; Ook vond hij telkens geld in koffers. O, hij hoorde tot de boffers!

Zo trapte hij tijdens het lopen Bijvoorbeeld nooit in hondehopen.

En ging hij fietsen of kamperen Dan scheen de zon zonder mankeren. De lichten sprongen steeds op groen, Wat of hij ook op straat kwam doen.

Alles liep steeds naar zijn wensen, Nooit ontmoette hij arme mensen, En denk je soms, mijn lieve kinderen Dat zijn braafheid zou verhinderen Bijvoorbeeld om van hem te houen, Zodat niemand hem wou trouwen?

Mispoes hoor, vergeet het maar: Iedereen stond voor hem klaar, De mooiste en de liefste meisjes Deelden met hem snoep en ijsjes.

In alles kreeg hij steeds zijn zin, Zowel in liefde als gewin. Ja, Willibrord was uitverkoren, Je zou hem in zijn Brinta smoren;

Maar helaas, dat mag je niet, En daarom eindigt hier mijn lied.