BEVRIJDING VAN EEN SPREEUW

Soms zit er opeens een spreeuw op de WC. Die heeft op het dak zijn gemak ervan genomen en is in de luchtkoker getuimeld. Vleugels kunnen dan de val nog breken, maar zijn verder niet van nut.

Je gaat naar de WC, licht aan, deur dicht, en er blijkt een vogel op het rooster boven de stortbak te staan. Met gepiep en gefladder geeft hij ruchtbaarheid aan zichzelf. Ook hoor je het krassen van klauwende nageltjes. Het zou het makkelijkst zijn om het rooster los te schroeven, de spreeuw te pakken en naar buiten te brengen. Maar ik ben niet zo'n held in het pakken van dieren. Ik ken mensen die op een heideveld pardoes ter aarde storten en bij het opstaan een hagedis in de hand blijken te houden. Of zo maar in een vijver stappen om een salamander te grijpen. Of door het weiland rennen om een gruttokuiken te vangen. Mij niet gezien. Ik pak dieren bij voorkeur met woorden.

Wel heb ik mij aangewend een kikker of een rups of een jonge specht van het asfalt te rapen en in de berm te zetten. Maar dat heeft jaren gekost en het is nog steeds een zelfoverwinning, nog altijd is er huiver, die te maken heeft met eng en vies. U zult wel denken: dat komt door de manier waarop hij zindelijk is gemaakt.

Afijn, al zou je willen, je kunt die spreeuw niet pakken. Iets hogerop in de luchtkoker schijnt zich een richeltje te bevinden waaraan hij zich enige tijd kan vastklampen. Daarop trekt hij zich terug zodra je aan het rooster begint te morrelen.

De geijkte procedure is de volgende. Op een van de slaapkamers wordt het raam opengeschoven. De rest van de ruit wordt afgedekt met gordijn. De deur van deze kamer blijft open, andere deuren gaan dicht. De overloop ligt dan grotendeels in het donker, maar er is een slurf van licht, die net tot aan de WC reikt.

Nu verwijder je het rooster en trek je je terug in het duisterste hoekje van de overloop.

Weldra valt de vogel in het gat dat voor het rooster in de plaats is gekomen. In een roetsj schiet hij het huis uit. Daarbij beschrijft hij binnen anderhalve meter een bocht van honderdtachtig graden. Hij passeert deuropeningen, muren en allerlei huiselijke voorwerpen, die hem vreemd zijn, maar hem niet van zijn stuk schijnen te brengen.

Een mens zou in een vergelijkbare situatie de tijd nemen om na te denken. Hij zou zich afvragen wat hem te doen stond en op zijn minst even om het hoekje kijken. Die spreeuw niet. Die ziet meteen waar het licht vandaan komt. Dat vertrouwt hij blindelings en hij heeft aan een fractie van een seconde genoeg om vertrouwen om te zetten in beweging.

Een gevoel van bevrijding verspreidt zich door het hele huis. Het rooster wordt losjes weer aan het plafond bevestigd.

S oms zit er een spreeuw op de WC als we met vakantie zijn. Hij piept en fladdert tevergeefs. Ook het krassen van zijn nagels wordt niet gehoord.

De brievenbus kleppert en er valt een krant in de gang. Een enkele keer gaat de telefoon. Nu en dan begint de koelkast te zoemen. In de dakgoot, net buiten het duister van de luchtkoker, kwetteren de huismussen. Hij hoort de regen en de wind, het ruisen van de twee berken. Verder valt er voor die spreeuw niets te beleven.

Langzaam wordt het stiller in zijn lijf. Hij droomt nog een beetje van een slurf van licht, die hem naar buiten trekt. Maar dat is een droom.

Piepen en fladderen zijn al lang gestaakt en het krassen van de nagels ook. Almaar stiller en uiteindelijk het besef: ja, hier was het allemaal om begonnen. Wat je dan aantreft is niet meer dan een bundeltje verdroogde veren, zonder illusies.