Baksteensalami

Tot voor kort bleef de lichte muze in de Nederlandse architectuur beperkt tot hier en daar een winkelpui, de gevel van een amusements-gelegenheid, of een paviljoen in de dierentuin.

Het oudste en meest welluidende voorbeeld van lichte muze-architectuur is nog steeds te zien in Den Haag, Denneweg 56. Op dit adres staat de elegante glasgevel die in 1898 door Jan Willem Bosboom werd ontworpen voor het bedrijf van meestersmid Egbert Beekman. Achter deze transparante gevel met slanke, gietijzeren kolommen en een ijle daklijst-bekroning, verkocht Beekman de 'IJzervreter' was een begrip in Den Haag een vooruitstrevende collectie kachels, haarden, baden en geisers. Bij de opening van de in architectonisch opzicht omstreden winkel en toonzaal in 1898, plaatste hij een advertentie in de Haagsche Courant waarin hij zich voorstelde als: 'Hoofdagent van Nederland der echte Salamandre, onovertrefbare altijd doorbrandende Vulreguleerinzethaard, verbrandt slechts 15 cent per etmaal'. In het in 1980 door Sjoerd Schamhart verbouwde pand is nu het Haagse Filmhuis gevestigd. De kwetsbare gevel is zorgvuldig in oorspronkelijke staat gebleven en een van de mooiste monumenten in de categorie licht klassiek.

Een eeuw minus acht jaar later vond in een andere binnenstad de onthulling plaats van een gevel die met evenveel opwinding en verbazing is ontvangen als de voorkant van de IJzervreter in 1898. Dit keer in Amsterdam op het Rokin. De gevel was er ineens, zonder waarschuwing vooraf. Op die plaats, halverwege de Optiebeurs van Cees Dam en het model van de oud-Hollandse molen op de hoek van de Lange Brugsteeg, had een tijdje een steiger gestaan, verticaal afgedekt met een groen zeil. Niemand had in de gaten dat er onder dat zeil iets schokkends werd uitgebroed, tot het naar beneden zakte en een gevel bloot kwam, die menig voorbijganger naar adem deed happen.

Van een antiquair die bijna recht tegenover de plek van de wonderlijke verschijning zijn stijlvolle handel drijft, komt het verslag van een ouder, gearmd echtpaar dat midden op de tramrails van het Rokin, de gevel onverwacht in de gaten kreeg en roerloos, als door de bliksem getroffen, bleef staan. Alleen door de oplettendheid van de wagenvoerder van lijn 24 is het paar nu nog in leven.

Bordeel

Het smalle, hoge Effectenkantoor-gebouw van de Utrechtse architect Mart van Schijndel is inderdaad zo'n verpletterend staaltje van lichte muze-architectuur, dat we ons moeten afvragen of het nog wel in deze categorie thuishoort.

De onderkant lijkt op de toegangspartij van een modern, duur bordeel. Het hermetisch gesloten front met een zware, blinde deur (alleen voor leden), is gecapitonneerd met ruitvormige natuurstenen platen. Aan weerskanten van de deur zit een klein rond raam. Het bovenlicht in het midden is ook zuiver rond en correspondeert met het ronde gat in het felblauwe timpaan op de top van de geheel symmetrische gevel. Boven de arrogante, afwerende onderpui stulpt een formidabele, halfgebogen erker van zeegroen spiegelglas naar buiten, waardoor de slanke leest van het enfant-terrible bouwwerkje als door zwangerschap wordt verstoord. Boven het bordeel ligt de speelzaal, zo lijkt het.

Horizontale banen, van afwisselend fel turquoise en zandkleurig graniet, doorsnijden vanaf de eerste verdieping de vlakke delen van de gevel. Onder het eveneens felblauwe timpaan is een rechthoekige hap uit de gevel genomen waarachter een balkon van een woonappartement schuil gaat. Het timpaan lijkt bijna los te liggen op de verticale geveluitlopers aan weerszijden van het balkon.

Zoals Bosboom aan het eind van de vorige eeuw wilde aantonen, dat met de zware industriele verworvenheden van de negentiende eeuw elegant en lichtvoetig kan worden gedanst, zo lijkt het of Mart van Schijndel met zijn katoorgebouw de indruk wil wekken dat de effectenhandel net zoiets is als gokken in een casino en dat rijkdom vooral leidt tot prettige extravagantie, leeg vermaak en uiterlijke betovering.

In vroeger tijden ontvouwden architecten hun filosofieen en analyses van de maatschappij in tijdschrift-artikelen en zelfs in echte boeken. Inzicht in de beweegredenen om te ontwerpen zoals men ontwierp, werd met woorden gegeven, in taal uitgedrukt en desnoods met geschetste ideeen ondersteund. Maar in deze tijd gebruiken architecten het eigen medium, de praktijk van de architectuur om hun opvattingen en visies uit te dragen, verklaringen af te leggen, ja, zelfs 'statements' te geven.

Theorie en praktijk vallen in de architectuur vaker samen omdat het bouwen voor de eeuwigheid uit de mode is geraakt en de technologie het steeds eenvoudiger maakt om het bewijs op ware grootte in beeld te brengen. Net als in de voedings-industrie of bij de produktie van drank en sigaretten is 'licht' ook in de architectuur het modieuze decreet. Bouwmaterialen zijn steeds lichter, dunner en kneedbaarder geworden. Marmer-fineer, baksteen-salami, hele gevels van flinterdun aluminium worden op grote schaal toegepast en dat allemaal op basis van een zekere tijdelijkheid. Dit heeft grote gevolgen voor het uiterlijk van de architectuur van onze tijd. De indruk van een veilig en stevig verankerde massa heeft plaats gemaakt voor de vluchtige impressie van een beeld dat voorlopig is. We raken er langzaam aan gewend naar architectuur te kijken zoals we dat naar de televisie doen. Langzaam, omdat in ons land de lichte, tijdelijke architectuur nog uitzondering is. De architectuurcriticus van de New York Times, Paul Goldberger, schreef onlangs in zijn krant hoe dit verschijnsel op steeds meer plaatsen in de Verenigde Staten is te zien en hoe men hieraan gewend is geraakt. Hoe gewoon men het is gaan vinden om van de architectuur te verwachten wat men ook van de televisie verwacht, steeds weer nieuwe, steeds weer andere, verrassender beelden. Dat staat ons hier natuurlijk ook te wachten.

Video-clip

Voor de uitdagende gevel van het Effectenkantoor van Mart van Schijndel in Amsterdam, met in splitscreen het bordeel, de speelzaal en het penthouse onder een klassiek timpaan, is de categorie 'lichte muze' eigenlijk te braaf, te weinig easy listening. Het is meer de architectuur van de video-clip, net zo extravagant, net zo mode-gevoelig, net zo vluchtig.

De architect Sjoerd Soeters heeft met een vliesdunne aluminium gevel voor zijn eigen ontwerpbureau in de Amsterdamse Kerkstraat ook een video-clip gemaakt, maar van een totaal andere toon, met een totaal ander beeld. In de betrekkelijk smalle straat, met conventionele huizen voor de eeuwigheid gebouwd, heeft hij met een strakke, geometrisch getekende, metalen facade een ferme streep door de rekening van de bakstenen conventies gehaald. Naar eigen zeggen heeft hij met deze ingreep een 'statement' willen maken, letterlijk een beeldende stelling, namelijk dat de bakstenen conventies uit het verleden en het lichte, dunne aluminium van deze tijd elkaar uitstekend verdragen. Hij zal het metalen 'affiche' weer weghalen zodra de voorstelling hem niet meer bevalt en hij vermoedelijk weer een andere stelling heeft bedacht, die in natura moet worden bewezen.

De lichte muze van Bosboom is een melodie die, na een eeuw, nog steeds mooi en zuiver in het gehoor ligt. De kakafonische video-clip van Mart van Schijndel gaat ons, na de verbazing van het eerste moment, de keel uithangen om zijn onophoudelijke aanstellerij. Het statement van Soeters zal vanzelf verbleken en plaats maken voor een volgend, misschien wel de kerkgevel die nu met aluminium is weggeplakt.

    • Max van Rooy