Wet maximaal opgerekt in kraakproces

ROTTERDAM, 19 juli De Groningse rechtbank velde deze week in het proces tegen 137 krakers een paradoxaal vonnis. De rechtbank haalde de angel uit de telastelegging door de deelname aan een criminele vereniging niet bewezen te verklaren. Ondertussen werden wel alle leden van de groep veroordeeld op basis van artikel 141 Wetboek van Strafrecht, dat openlijke geweldpleging 'in vereniging' strafbaar stelt. Geheel tegen de heersende jurisprudentie in stelt de rechtbank dat het niet per se noodzakelijk is dat een dader 'daadwerkelijk geweld tegen personen of goederen heeft gepleegd'.

Artikel 141 werd maximaal opgerekt. En dat vinden niet alleen raadslieden van de verdachten.

Het grootste probleem voor justitie werd veroorzaakt door een gebrek aan bewijs. Op zondag 27 mei arresteerde de politie in Groningen de 137 krakers en sympathisanten toen zij uit het gekraakte Wolters Noordhoffcomplex naar buiten kwamen. In de vroege uren van de voorgaande dag hadden de meeste van hen als protest tegen de aanstaande ontruiming barricades opgeworpen rond het gigantische krakersbolwerk. Er braken rellen uit met de politie, gemeentelijke- en particuliere eigendommen werden vernield. Aanpalende bedrijven zouden ongeveer 1 miljoen gulden schade hebben geleden.

De demonstranten waren onherkenbaar door bivakmutsen en motorhelmen. Bovendien weigerden zo'n 100 arrestanten een verklaring af te leggen. Allen werden ingesloten op verdenking van overtreding van artikel 141, openbare geweldpleging in vereniging met anderen. Hoe kon nu bewezen worden wie zich waaraan schuldig gemaakt had? 'Met dit vonnis draait het om de kunst van het formuleren', zegt prof. mr. Th. W. van Veen, emeritus hoogleraar straf- en strafprocesrecht in Groningen, 'Het is niet de vraag of er een delict is gepleegd; dat is overduidelijk. Als een groep mensen zich verzamelt en afspreekt de boel kort en klein te slaan, dan is dat ongetwijfeld een misdaad.'

Van Veen is leermeester van twee rechters-plaatsvervanger die deel uitmaakten van het college dat het vonnis wees: zijn opvolger, de Groningse hoogleraar prof. mr. S. Knigge, en mr. G. M. P. Brouns, eveneens werkzaam aan de juridische faculteit in Groningen.

Het openbaar ministerie wilde de bewijsnood omzeilen door alle verdachten te beschuldigen van deelneming aan een criminele vereniging, strafbaar op grond van artikel 140. Voor dit artikel is het niet nodig dat het aandeel van verdachten in strafbare gedragingen wordt aangetoond. Er hoeft alleen geconstateerd te worden dat de organisatie functioneerde door inzet van de verschillende verdachten.

De rechtbank in Groningen achtte echter artikel 140 niet bewezen. Gekozen werd voor het restrictievere artikel 141, waarbij het niet gaat om het wijdse 'plegen van misdrijven gedurende langere tijd' (uit artikel 140) maar om een delict: openlijke geweldpleging.

De rechtbank zat hierbij met het dilemma dat er alleen in de zaken van de ongeveer dertig 'pratende' verdachten voldoende bewijs was. Toch wilden de rechters de grote groep zwijgende verdachten niet belonen voor hun non-cooperatieve houding. Daarom lieten zij de constructie in het vonnis lopen via het zich niet afzijdig houden.

Bewezen was dat nagenoeg alle verdachten op vergaderingen geweest zijn waarop is afgesproken barricades te bouwen en zich te verzetten tegen de politie. Van die opzet is de rechtbank in alle gevallen overtuigd. De vernielingen tegen particuliere waren niet van tevoren afgesproken en zijn dus buiten beschouwing gebleven.

Om alle daders, binnen het pand en op straat, te kunnen veroordelen, komt de rechtbank met een nieuwe interpretatie (de 'actuele betekenis') van de wet. Er is gekeken naar het individu als onderdeel van de groep, waarbij het niet nodig gevonden werd te weten wat precies de bijdrage van de verschillende groepsleden is geweest. Verschillende strafrechtdeskundigen uiten desgevraagd ernstige kritiek op deze constructie. Prof. dr. A. C. 't Hart, hoogleraar straf- en procesrecht in Leiden noemt de Groningse interpretatie van het wetsartikel 'zeer extensief': 'Hoe kun je zeggen dat mensen die een broodje hebben gesmeerd ook schuldig zijn aan geweldpleging? Hier wordt een soort risico-aansprakelijkheid ingevoerd.'

De Rotterdamse hoogleraar strafrecht en oud-officer van justitie prof. mr. H. de Doelder vindt dat het veroordelen van een groep de weg openzet naar een minder genuanceerde strafrechttoepassing die op allerlei terreinen zijn uitwerking kan hebben. Beide hoogleraren waarschuwen voor de sterke neiging in ons recht om steeds meer naar groepsaansprakelijkheid te gaan.

De Groningse emeritus hoogleraar Van Veen zegt dat daar geen sprake van is. 'Het is omgekeerd: je ziet steeds meer dat groepen criminele feiten plegen en daar moet je een antwoord op vinden.'

    • Frank Vermeulen