Spanning, ontspanning, overspanning

Over voetbalvandalisme gesproken: zonder nu met alle geweld te willen relativeren, is het een troostvolle gedachte te weten dat sinds de Oudheid door alle eeuwen heen sportwedstrijden tot rumoer en rellen hebben geleid. Blijkbaar hebben toeschouwers er niet genoeg aan anderen te zien wedijveren; ze gaan zelf ook op de vuist. Evenmin behoeven we ons als laat-twintigste eeuwers beschaamd te voelen indien we uit de krant van de zoveelste caferuzie vernemen of van een steekpartij in disco of nachtclub. Ze heten nu anders, maar kroegen en bordelen hebben vanouds geweld aangetrokken; daarin steekt geen nieuws. Wein, Weib en al te luid gezang zijn kennelijk niet bevorderlijk voor een rustig samenzijn.

Toch zijn dit te luie verklaringen. Er blijft iets raadselachtigs in al dergelijk gedrag indien we er van uitgaan dat voetbalfans, cafebezoekers en discojeugd bezig zijn hun vrije tijd te besteden; dat zij onder geen andere druk staan dan die welke zij zelf verkiezen te ondergaan; dat ze aan de sleur van hun werk en het gezeur van hun baas zijn ontsnapt en als vrije vogels zijn uitgevlogen. Waarom dan toch rebels gedrag? Misschien moeten we de zaak omkeren en juist in de onwennige vrijheid de verklaring zoeken. Niet de spanning van plicht en werk maakt overspannen, maar de ontspanning. Rebellie als contrastgedrag. Een overreactie: Wehe wenn sie losgelassen.

Indien dit juist is, zal het vandalisme het sterkst moeten optreden in gevallen waarbij het contrast met het dagelijks bestaan het grootst is. We denken dan aan zeelui die na een lange reis de haven aandoen en de bloemetjes buiten zetten; aan soldaten die na een week kazernedienst of een oefening van nog langere tijd verlof krijgen en de stad intrekken; aan fabrieks- en havenarbeiders die na een dag van zware fysieke arbeid de kroeg ingaan of zoals vroeger voorkwam hun weekloon na de zaterdagdienst onmiddellijk in jenever omzetten.

In al deze gevallen is er sprake van een scherp contrast. De betrokkenen staan onder streng toezicht; discipline beheerst hun werkend leven. Ze zijn bovendien afgezonderd van de buitenwereld en vaak zeker in het geval van matrozen en soldaten hebben ze geen contact met vrouwen. Ze ervaren hun bestaan als dwang; ze zullen de korte vrijheid die hun nu en dan is toegestaan, uitbundig, over-uitbundig vieren.

We kunnen ook denken aan scholieren. Weliswaar lopen de zaken hier niet zo sterk uit de hand als bij passagierende zeelui, en kan van een 'schooltucht' nauwelijks meer worden gesproken, maar wie het infernale gekrijs hoort waarmee de schooljeugd bij de aanvang van een pauze de open lucht opzoekt, krijgt toch de indruk dat er iets moet worden afgereageerd.

Dit alles betreft speciale categorieen. Kijken we naar de bevolking als geheel, dan valt op hoezeer carnaval en kermis in vroeger eeuwen aanleiding gaven tot wat, met een eveneens ouderwets woord, genoemd werd 'uitspattingen': dronkenschap, vernielingen, steekpartijen, zelfs soms het begin van sociale onrust. Ook hier contrastgedrag. Die enkele keren per jaar dat men kon ontsnappen aan de sleur van iedere dag moest het volk wel buiten zichzelf raken. In mijn jeugd werd voor carnaval gespaard door weken of zelfs maanden op het dagelijks voedsel te bezuinigen; zoiets vraagt om een overreactie.

Al schrijvende begin ik steeds meer twijfel te voelen. Het zijn vrijwel allemaal voorbeelden uit vroeger tijd. Wie weet er nog van garnizoenssteden met schreeuwende en vechtende horden soldaten op de zaterdagavond; waar zijn de rumoerige havenkwartieren in de grote zeehavens? In elk geval zijn de tapkasten vol ingeschonken borrels, in afwachting van de komende meute bootwerkers, definitief geschiedenis geworden.

Natuurlijk, carnaval en kermissen bestaan nog steeds, maar het contrast met het dagelijks leven is enorm veel minder geworden. Het aantal jaarlijkse evenementen is dienovereenkomstig toegenomen, en tal van amusementsgelegenheden zijn dagelijks geopend. Met zo veel pretparken en zwemparadijzen onder handbereik valt niet te verwachten dat de komst van een circus in de stad de jeugd buiten zichzelf kan brengen.

En dan vergeten we nog de televisie, die grote toverlantaarn die per avond meer spanning, spelletjes, erotiek en geweld te bieden heeft dan tien kermissen bij elkaar. Geen andere vorm van amusement heeft zo sterk bijgedragen tot de veralgemening van het amusement: iedere avond twee hoogtepunten, wekelijks een topper, tenminste een keer per maand een sensatie waarover men niet uitgepraat raakt.

Cultuurcritici spreken van 'vervlakking'. Wij, die op zoek zijn naar contrasten, hevig genoeg om 'uitspattingen' te verklaren, moeten in elk geval toegeven dat de moderne samenleving aan contrastrijkdom heeft ingeboet. Vroeger vijf grote feesten per jaar inclusief Koninginnedag en pakjesavond , nu iedere dag een klein feest. We zijn onze eigen Sinterklaas geworden.

Dus klopt er iets niet met onze theorie. Gegeven deze amusementsspreiding zou er van voetbalvandalisme en discorumoer geen sprake kunnen zijn. Er is geen reden om 'uit je bol' te gaan als je dat wekelijks kunt doen. Toch gebeurt het. Ongenegen ons neer te leggen bij het raadsel, opperen we twee redenen waarom ontspanning ondanks alles nog steeds tot overspannen gedrag leidt.

De eerste betreft het verschil tussen kijkbuisplezier en fysieke aanwezigheid bij een evenement. Zoals het bijwonen van een concert en zelfs het bezoek aan een bioscoop kwalitatief verschillen van het beluisteren van diezelfde muziek en het zien van diezelfde film in onze huiskamer, zo ook is een voetbalwedstrijd op de beeldbuis niet te vergelijken met de aanwezigheid onder het voetbalpubliek van een stadion. Het blijft behelpen met televisie. Het blijft een opwindend feest erbij te zijn.

De tweede verklaring ligt in onze welvaart. Er is meer vrije tijd, meer geld uit te geven, er wordt meer gedronken, gedanst, uitgegaan, gereisd en gerotzooid. Dus loopt 'het' vaker uit de hand. Een kwestie van statistiek, meer dan van psychologie.