Oostduitse werklozen beginnen te morren

BERLIJN, 19 juli 'Waar ik gek van word, is dat men de mogelijkheden die de wet op de arbeidsbevordering biedt, niet benut', roept minister Regine Hildebrandt, geconfronteerd met een morrende schare DDR-werklozen, met iets van vertwijfeling in haar stem uit. Buiten op de Alexanderplatz, verblekend skelet van de meest consumentvriendelijke der Oostblokstaten, waait vanavond een gure wind. Binnen, in de grote zaal van de burgerlijke stand van Berlin-Mitte, is het nauwelijks behaaglijker. Met 30.000 per week neemt het aantal werklozen in de DDR sinds de invoering van de D-mark toe, onthult de minister. De organisatoren van de avond, de politieke groepering Bundnis 90, valt het aantal aanwezigen nogal tegen: zo'n honderd. 'Over de DDR is een merkwaardige apathie gevallen', meent een discussieleidster.

Maar de honderd die gekomen zijn, geven er luidkeels blijk van het optimisme van de DDR-minister voor arbeids- en sociale aangelegenheden niet te delen. 'Natuurlijk is nu overal grote onzekerheid. Over een paar jaar zal onze toestand heel goed zijn, maar in afwachting van die prachtige toekomst is onze misere optimaal. Het is moeilijk, maar we moeten er doorheen', meent minister Regine Hildebrandt.

Niet de aanpak van de DDR-economie, maar het gebrek aan gebruik van de voorhanden zijnde sociale wetgeving, dat ziet ze als het grootste probleem. De SPD-minister spreekt gejaagd en overtuigend en is in bijna elke zin of bijzin in de verdediging tegen kritiek en pessimisme, die de atmosfeer bij de werknemers in de DDR dezer dagen meer en meer lijken te bepalen. Ze heeft trouwens maar een uurtje, dan moet worden onderhandeld over het tweede staatsverdrag over de toetreding tot de Bondsrepubliek.

Voor de sociale bepalingen uit het eerste staatsverdrag, dat de op 1 juli van kracht geworden 'sociale markteconomie' in de DDR regelt, 'is keihard onderhandeld', aldus de minister. Des te treuriger dus dat naar haar gevoel van de mogelijkheden van de sociale wetgeving van de DDR, die overigens ook na de toetreding tot de Bondsrepubliek nog een half jaar van kracht zal blijven, te weinig gebruik gemaakt wordt.

Dat geldt niet zozeer voor de eenvoudige procedure voor het aanvragen van arbeidstijdverkorting met loonsuppletie door de staat, waardoor het officiele werkloosheidscijfer gedrukt kan worden. Een half miljoen aanvragen zijn de afgelopen weken ingediend, en het is geen geheim dat het in veel gevallen gaat om werknemers voor wie helemaal geen werk meer is, aldus de minister. Maar het werkloosheidscijfer van 300.000 zou veel lager kunnen zijn bij een intensiever gebruik van de bepalingen waaronder delen van bedrijven kunnen worden omgetoverd tot 'educatieve- en omscholingsprojecten', en vervolgens bijna geheel uit de algemene middelen kunnen worden gefinancierd.

Woede en zelfbeklag

In de zaal varieren de reacties van woede ('Denk er wel om dat u persoonlijk politiek verantwoordelijk bent en dat er straks een moment komt, dat het stemvee weer mag spreken', briest een man) tot zelfbeklag. 'Hoe kunt u dat nu in vredesnaam zeggen dat we op de goede weg zijn', meent een vertaalster Duits-Russisch, voor wie geen toekomst meer is. Twee ontwerpsters van een textielfirma vertellen hoe zij, ondanks voortreffelijke vakopleiding aan de dijk zijn gezet door de voormalige partijbonzen van hun bedrijf, die zich nu plotseling ontpoppen tot keiharde kapitalistische managers. Blijkens het applaus gaat het hier om een veel voorkomende situatie. Er staat een mevrouw op die de minister over haar geval een persoonlijke brief had geschreven, en zich beklaagt van een van haar ondergeschikten antwoord te hebben ontvangen, en nog onbevredigend ook.

Zich tegen dit laatste verwijt verdedigen valt de minister niet zwaar ze ontvangt elke dag honderden brieven maar ook met de andere maakt ze korte metten. 'Als u dan ten onrechte ontslagen bent en een ander niet, hebt u zich dan al met anderen in dezelfde situatie sterk gemaakt in de ondernemingsraad', vraagt Hildebrandt. 'Of is het bij u zo als in zoveel ondernemingen, waar men nog niet de moeite heeft genomen zo'n door de wet ingevoerde ondernemingsraad te vormen?' Verslechtering van de situatie heeft ook voordelen, meent ze: 'Naarmate de situatie kritieker wordt, zal men misschien eindelijk eens vindingrijk worden en bij ons bijvoorbeeld serieuze omscholingsprojecten indienen'.

De voorzitter van de nieuwe DDR-werklozenbond, geen regeringsgetrouwe organisatie trouwens, valt de minister bij: 'De algemene houding is er nog veel te veel eentje van wachten op beslissingen en steun van boven'.

Angstaanjagend

Gaandeweg wordt de angstaanjagende omvang van de thans in gang gezette structurele verandering in de Oostduitse economie duidelijk. In de industrie bijvoorbeeld alleen al moet voor een miljoen werknemers een andere betrekking in andere sectoren, zoals dienstverlening, gevonden worden. Arbeidsplaatsen verdwijnen, onder welke noemer dan ook, 'en we weten allemaal dat er tot nu toe nog nauwelijks nieuwe investeringen zijn geweest, en al helemaal niet van Westduitse ondernemingen waarop we de hoop hadden gevestigd. Men ziet ons tot nu toe als afzetmarkt en creeert geen banen'. Waarop is het lange-termijnoptimisme van de minister dan gebaseerd, wil iemand uit het publiek weer weten. 'De Bondsrepubliek zal nooit toestaan dat een deel van Duitsland een armenhuis wordt', zegt Hildebrandt tenslotte. 'Dat is onze grootste zekerheid. Tussen de deelstaten van de Bondsrepubliek bestaat nu al een welvaartsverdeling, waarbij de rijkere de armere helpen. Verschillen zullen er altijd zijn, maar niet zo groot als die tussen Noord- en Zuid-Italie bijvoorbeeld.' Dan moet de minister weg, onderhandelen over het tweede staatsverdrag. Nu de klachten niet meer rechtstreeks aan de verantwoordelijke bewindsvrouw kunnen worden gericht, kwijnt de discussie weg de voorzitter van de Werklozenbond knikt alleen maar begrijpend bij elke opmerking. Algemene bijval vindt zijn slotopmerking: 'Ze doet erg haar best, de minister. En vergeet niet in wat voor soort regering ze haar werk moet doen'.