Minister Alders presenteert 'lokatiebeleid'; Kantoorbouw inbuurt van openbaar vervoer

DEN HAAG, 19 juli Kantoren, ziekenhuizen en grote onderwijsinstellingen worden in de toekomst op plaatsen gevestigd waar ze met het openbaar vervoer goed bereikbaar zijn. Dat is het uitgangspunt voor het lokatiebeleid dat minister Alders (ruimtelijke ordening) vanmiddag heeft bekendgemaakt.

Provincies en gemeenten moeten zich aan de regel houden dat bedrijven en instellingen met veel werknemers of bezoekers in de buurt van het openbaar vervoer komen. Plaatsen die alleen per auto goed bereikbaar zijn, moeten worden gereserveerd voor transport- en distributiebedrijven of voor andere bedrijven die op het gebruik van de auto zijn aangewezen.

Het 'werkdocument' dat Alders vanmiddag presenteerde, is mede-ondertekend door de ministers Maij-Weggen (verkeer), Ritzen (onderwijs), d'Ancona (WVC) en staatssecretaris Bukman (economische zaken) en is besproken met vertegenwoordigers van provincies en gemeenten. Het kabinet wil niet alleen het autogebruik in het woon-werkverkeer beperken, maar ook de investeringen in het openbaar vervoer, 20 miljard in de komende twintig jaar, optimaal benutten. Het lokatiebeleid wordt gecombineerd met strenge parkeernormen.

Bij de aangekondigde aanscherping van de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening liet Alders eerder dit jaar al weten dat de vestiging van arbeidsintensieve bedrijven als kantoren langs snelwegen voortaan moet worden vermeden. Het mag niet zo zijn, vindt de minister, dat werknemers eigenlijk worden gedwongen met de auto te pendelen.

De minister zal de mogelijkheden die de Wet op de ruimtelijke ordening hem biedt, intensiever gebruiken en dus ingrijpen als gemeentelijke (of provinciale) plannen hem niet bevallen. Het lokatiebeleid wordt neergelegd in provinciale streekplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen waarop de inspecteurs van de Rijksplanologische Dienst toezien. Provincies en gemeenten die de voorgestelde aanpak volgen, krijgen voorrang bij de verbetering van het openbaar vervoer. Hun wordt gevraagd per stadsgewest een plan te maken. Daarin moeten, ook tussen de gemeenten onderling, afspraken worden gemaakt over de nieuwe en bestaande lokaties en de bijbehorende verkeersvoorzieningen.

Bij het aanpakken van bodemverontreiniging of het nemen van maatregelen tegen geluidhinder komen de plekken die met het (verbeterde) openbaar vervoer goed bereikbaar zijn, het eerst aan de beurt. De overheid belooft zelf het goede voorbeeld te geven door ziekenhuizen, universiteiten, hogescholen en overheidskantoren in de buurt van het openbaar vervoer te vestigen. Verder kondigt Alders intensief overleg aan met het bedrijfsleven, het openbaar vervoer en maatschappelijke instellingen.

Grond wordt schaars gemaakt

Bedrijven en instellingen worden ingedeeld in drie categorieen. Categorie A geldt voor bedrijven die vanuit de verre omtrek goed bereikbaar moeten zijn met het openbaar vervoer en dus gelegen zijn bij stations en knooppunten van trein-, metro- en buslijnen. De bereikbaarheid per auto is van ondergeschikt belang. Parkeerruimte wordt slechts gemaakt voor 10 tot 20 procent van de werknemers. Deze parkeernormen moeten in 1995 gaan gelden.

B-lokaties liggen eveneens in de nabijheid van het openbaar vervoer, bij voorbeeld bij voorstations van grote steden, belangrijke metrostations of knooppunten van buslijnen in kleinere steden. Ze liggen bovendien nabij stedelijke hoofdwegen of de afslag van een autosnelweg. Toch zal parkeren er slechts beperkt mogelijk zijn. Het streven moet zijn dat maximaal 35 procent van het woon-werkverkeer van de auto gebruik maakt.

De C-lokaties liggen in de directe nabijheid van een autosnelweg en hebben bedrijven met relatief weinig werknemers. Het gaat hier om bedrijven die zijn aangewezen op vervoer van goederen over de weg.

Het ministerie heeft een globale verdeling gemaakt van type bedrijven die op een A-, B-, of C-lokatie passen. Bij A-lokaties wordt gedacht aan kantoren, dienstverlenende bedrijven, detailhandel, hotels, overheidsinstellingen, openbare nutsbedrijven, sociaal-culturele instellingen, scholen en medische of maatschappelijke diensten. Voor B-lokaties komen in aanmerking diverse industrieen (kleding, grafische bedrijven, optische industrie), verhuurbedrijven, reparatiebedrijven, sport en recreatie en de administraties van openbare-nutsbedrijven en transportbedrijven. C-lokaties worden gereserveerd voor de zware industrieen, chemische industrie, groothandel, bouw, transportbedrijven en de produktiedelen van openbare nutsbedrijven.