LEVEN IN STALINS VROUWENKAMPEN; Jungle- en kuddewetten

Er rijdt een trein door een landschap. Er ligt sneeuw, 't moet er ijselijk koud zijn, verder is er weinig over te zeggen. Het is een lange monotone tocht die de kijker naar de film in de juiste toestand brengt om te ondergaan wat de makers Nijole Adomenajte (scenario en regie) en Boris Gorlov (regie) willen doorgeven. Murw en bijna versuft voeren ze je niet alleen zo ver weg dat huis en haard niet meer lijken te bestaan, maar ook terug in de tijd. De kleuren vervalen, de omgeving wordt nog groezeliger en mistroostiger dan hij al was en we doen onze intrede achter de zware poorten van een van de afgelegen werkkampen waar Stalin mensen opborg die de 'zuiverheid van de revolutie' in gevaar brachten.

Koma behandelt maar een, meer dan levensgroot, onderwerp: de ontmenselijking die werkkampen teweeg brachten bij alle partijen die er terechtkwamen, gevangenen net zo goed als bewakers. De film spitst dat gegeven toe door zijn aandacht te richten op een vrouwenkamp. Vrouwen zijn kwetsbaarder. Ze krijgen babies waardoor ze verzwakken en uitermate chantabel worden. Bovendien roepen ze een gerichtere soort geweld op dan de mishandeling die mannen ten deel valt. Wat hun wordt aangedaan, is steeds seksueel gekleurd, of dat nu door mannen of vrouwen gebeurt. Ze worden net zo goed vernederd vanwege hun status van gevangene als om het feit dat ze vrouwen zijn.

Hoofdpersoon van Koma is het kampleven zelf. Het bestaan daar houdt niets anders in dan in leven blijven, en wie dat niet langer is gelukt wordt aan haar voeten over de grond weggesleept naar een onzichtbare plaats.

We zien de bewakers een feestje bouwen en de wanhoop over hun verbanning, want ze zitten net zo goed gevangen op die plek, wegpochen. Ze hebben het zwaar in dit godverlaten oord, maar ze dienen er een hoger doel mee. De Grote Stalin is trots op ze, sterker nog, hij kan niet zonder hen. Wat zou hij moeten beginnen als zij al die smerige elementen er niet onder hielden? Het feest neemt grove vormen aan. Er wordt gelald, gebrald en snel, in een donker hoekje, gecopuleerd, staand en wankelend, zonder belangstelling voor de ander, als beesten in een stal.

Aan de andere kant van het kampleven zien we de gevangen vrouwen leven volgens jungle- en kuddewetten. Het recht van de sterkste geldt en iedereen is lichamelijk en geestelijk onderworpen aan haar die de boventoon voert. Het valt op dat er in Koma geen enkele poging tot heroiek wordt gedaan. Solidariteit gedijt slecht want de lukraak opgepakte gevangenen hebben niets anders gemeenschappelijk dan hun barre omstandigheden. Opportunisme viert hoogtij. Het ene moment kan een relatie met een bewaker vergoeilijkt worden zoiets doe je nu eenmaal als het je zuigeling in de babybarak weer een paar dagen kan redden het andere moment geeft datzelfde gedrag aanleiding tot bestraffing met de bevriezingsdood. Soms raken de beide werelden aan elkaar en dan blijkt het mogelijk dat de rollen worden omgedraaid: een gevangene wordt gedwongen om een bewaker te verraden.

De film besluit met de trein waar hij mee begon. Hij arriveert bij het kamp, nu te zien in hedendaagse kleuren. De poorten staan er nog en functioneren precies zo als voor 1956. Hetzelfde levensbedreigende geluid, hetzelfde talmende tempo van open en dicht gaan. Niet alleen bestaat het kamp nog, het heeft, al dan niet daadwerkelijk, nog steeds zijn mensonterende effect. Het enige, hoopvolle?, verschil met zo'n veertig jaar terug is dat er een filmploeg uit de trein stapt: wie weet zal nu niet langer verborgen blijven wat de muren afschermen.

Koma bevat niet een scene die niet ijzingwekkend is. Adomenajte en Gorlov zagen af van de lucht die andere cineasten hun publiek nog wel eens bieden. Integendeel, ze laten het naar adem happen, doen het snakken naar een uitweg, naar een opluchting, naar een teken van licht of ruimte. Dat verlangen wordt slechts een moment bevredigd in een macaber aflopende herinneringsflard van een gevangene, verdere opluchting bood het kamp niet.