Jan Bronners zandstenen schepping voor Haarlemmerhout bleekte kwetsbaar; Eindelijk rust voor Hildebrand-beelden

HEINO, 19 juli Na een lijdensweg van decennia hebben de negen kalkstenen beelden, die met elkaar het originele Haarlemse Hildebrandmonument vormen, een permanente opstelling gekregen in Overijssel. Het Rijk heeft de door Jan Bronner (1881-1972) vervaardigde figuren in langdurige bruikleen afgestaan aan de Hannema-De Stuers Fundatie. Ze maken nu deel uit van de beeldentuin bij Museum 't Nijenhuis, dat is gevestigd in een kasteeltje dichtbij Heino. De gerestaureerde en verstevigde beelden van de lichtgele Franse kalksteensoort Euville Marbrier staan op een speciaal daarvoor aangelegd gazon omgeven door beschermende hoge hagen. De beelden waren eerder bij wijze van proef op diverse plaatsen neergezet, onder andere in de tuin van het Kroller-Muller Museum. Uiteindelijk zijn ze aangeboden aan 't Nijenhuis, waar ze volgens een woordvoerster van het museum goed passen bij zowel de collectie als de tuin.

Het lijkt erop dat de onderdelen van het monument ter nagedachtenis van de negentiendeeeuwse predikant-schrijver Nicolaas Beets, die betrekking hebben op zijn beroemdste werk de Camera Obscura, hun bestemming hebben gevonden. Hun configuratie en hun nieuwe plek hebben echter niets te maken met de bedoelingen van beeldhouwer Jan Bronner. Hij vervaardigde zijn levenswerk immers als een voor de Haarlemmerhout bestemd monument, bestaande uit een achtkantige fonteinbak waarop de negen verbeeldingen van figuren uit de Camera in een kring staan.

Zo hebben de beelden inderdaad ruim twintig jaar in de Haarlemmerhout gestaan. Ze bleken echter te kwetsbaar: ze werden omgetrokken en anderszins beschadigd en waren ook niet voldoende bestand tegen het klimaat. In 1983 werden ze vervangen door hardstenen kopieen. De originelen gingen over in handen van het Rijk en werden opgeborgen.

Daarmee leek voorlopig een einde gekomen aan een lijdensweg die overigens al omstreeks de Eerste Wereldoorlog was begonnen. In 1914 won de toen 33-jarige Jan Bronner een prijsvraag, uitgeschreven door een Haarlems comite dat de honderdste geboortedag van Nicolaas Beets aangreep om een aan hem gewijd literair monument te verwerkelijken. Bronner begon aan zijn ontwerp in hetzelfde jaar dat hij hoogleraar werd aan de Rijksacademie in Amsterdam. Het monument zou, ook in negatieve zin zijn leven blijven beheersen: twee wereldoorlogen, een tussenliggende economische crisis en de benepenheid en zuinigheid van het Haarlemse gemeentebestuur stonden keer op keer de practische uitvoering van de opdracht in de weg.

Het zou namelijk tot 1947 duren voordat er uitzicht op plaatsing kwam. In dat jaar vond Bronner de groep voltooid: een twee meter hoog beeld van Hildebrand (Beets' pseudoniem als schepper van de Camera) en acht iets kleinere gestalten uit het boek, onder wie Stastok, Suzette Noiret, de ongelukkige Teun de Jager en de vervelende Nurks. Door een reeks van moeilijkheden en meningsverschillen kwam het monument pas in 1962 tot stand. De vervanging door replica's in 1983 maakte Bronner niet meer mee.

In Overijssel kijkt de hoger geplaatste Hildebrand nu in een mengeling van arrogantie en bezorgdheid neer op zijn voor hem gegroepeerde geesteskinderen. Ze staan er mooi bij, al is de Haarlemmerhout een kleine tweehonderd kilometer verderop.