Grond voor bedrijf en instelling wordt schaars gemaakt

DEN HAAG, 19 juli Een glanzend kantoor, goed bereikbaar met lijn 8 en voorzien van een ultramoderne fietsenstalling. Het klinkt wat utopisch, het lijkt enigszins gechargeerd maar het is wel het beeld dat op het netvlies van de planoloog in overheidsdienst gloort.

Drs. R. den Dunnen, tot voor kort wethouder in Rotterdam en sinds 1 juni hoofd van de Rijksplanologische Dienst (RPD), weet dat de maakbaarheid van de maatschappij begrensd is en dat de wijsheid van de tekentafel het al menigmaal heeft moeten afleggen tegen de bulldozer van de werkelijkheid. Maar dat het tijd wordt voor regels die de vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en instellingen veel meer beperken, staat voor hem buiten kijf.

Minister Alders (ruimtelijke ordening) presenteerde vanmiddag een 'werkdocument' waarin die regels werden aangekondigd. Het effect op de mobiliteit wordt de leidraad om na te gaan of vestiging van een bedrijf kan worden toegestaan. Hoe meer zakelijk autoverkeer het veroorzaakt, des te minder is het bewuste bedrijf gewenst op een plek die slecht met het openbaar vervoer te bereiken is. Bedrijven, ziekenhuizen, scholen, instellingen waar veel werknemers en/of bezoekers komen, moeten daar staan waar het openbaar vervoer nabij is.

Dat wordt dus even wennen na jaren waarin bedrijven hun bereikbaarheid (waarmee altijd de bereikbaarheid per auto werd bedoeld) als hoogste goed aanprezen, personeelsleden een fiscaal aantrekkelijke lease-auto als interessante secundaire arbeidsvoorwaarde werd voorgehouden en de bezoeker een gegarandeerde en liefst ook bewaakte parkeerplaats kreeg voorgeschoteld.

Het wordt ook wennen voor al die gemeenten die zich de afgelopen jaren in menige bocht hebben gedraaid om bedrijf A, omwille van de werkgelegenheid of wie weet uit prestige, binnen hun grenzen te halen, desnoods ten koste van de buurgemeente. Den Dunnen en ir. A. A. van Essen, hoofd infrastructuur en milieubeheer bij de RPD, geloven in de kentering. 'De verhouding tussen steden en randgemeenten is behoorlijk veranderd. Het wordt al minder dat gemeenten tegen elkaar opbieden. Dat was ook nodig, want als je ziet hoe goedkoop de kantorensector is... .'

Den Dunnen: 'Men ziet in dat dat uiteindelijk tot een chaos leidt. Ik heb in Rotterdam als wethouder nog afspraken kunnen maken met de Rijnmondgemeenten die 10, 15 jaar geleden onmogelijk waren. Men denkt veel meer als stadsgewest.' 'We komen met een ijzersterke filosofie. Wat we willen is namelijk logisch en logica spreekt de mensen aan. Dat deel dat de samenleving vertegenwoordigt is het met ons eens; het beleid wordt door het parlement gesteund. Dat helpt in het land ook. We hebben de tijd mee. Men gaat weer vragen om duidelijke regels. Er is een roep om strengere maatregelen, om de vervuiling tegen te gaan. En we leven in een klein, overvol land waar we dus zorgvuldig met de ruimte moeten omgaan.' Van Essen noemt de bouw van het hoofdkantoor van Esso langs de snelweg bij Breda exemplarisch voor een verkeerd gebruik van de ruimte. Voorheen was dit bedrijf gevestigd in de binnenstad van Den Haag en dus voor zijn personeel per trein, tram of bus te bereizen. Bij de bouw van het AMC in Amsterdam zijn vraagtekens te plaatsen. Het heeft onder personeel en bezoekers autogebruik opgeroepen dat er niet was toen de ziekenhuizen in de binnenstad waren gesitueerd. Van Essen: 'Neem de TU in Delft. Daar loopt een buslijntje naartoe, er is nog veel ruimte beschikbaar, terwijl Delft tegelijkertijd bezig is langs de snelweg kantoren te ontwikkelen.' Bij de RPD wordt verwacht dat het tijdperk van de meubelboulevards die in de periferie oprezen en van de weidewinkels ten einde loopt. Dank zij een beter samenspel tussen de diverse overheden. Den Dunnen: 'Hier zitten 250 man, bij de provincies 2000 planologen en bij de gemeenten samen waarschijnlijk nog veel meer. De provincies maken de streekplannen, daar zit de denkkracht. Daar zitten ook je bondgenoten. Daar moet je het beleid neerleggen.' Desondanks wordt niet louter in decentrale uitvoering van het beleid gedacht. Den Dunnen: 'Er zullen streekplannen moeten worden gemaakt en natuurlijk bestemmingsplannen.

En er zullen ruzies moeten worden gemaakt. Wat wij willen vergt een consistent beleid gedurende jaren. Stel deze situatie: bedrijf A wenst zich te vestigen in buitengebied B van gemeente C. Dan stappen wij naar de provincie en gaan bezwaar aantekenen. Als de provincie het met ons eens is, mooi, maar gaan we die gemeente via de kadi dwingen. We zijn aan het bestuderen wat onze wettelijke mogelijkheden zijn, of we die beter kunnen toepassen. Onze inspecties zullen er bovenop zitten om bestemmingsplannen te beoordelen.' Dan nog is het de vraag of de markt zich daar zal laten leiden waar de overheid haar wil hebben. Den Dunnen verwerpt cynisme daarover. 'De marktsector gaat onze bondgenoot worden. De wegen gaan verstoppen, dat is niet in het belang van de bedrijven. Misschien zal de individuele projectontwikkelaar dat niet zien, maar het bedrijfsleven als zodanig uiteindelijk wel. 'Je moet die projectontwikkelaars gebruiken. Ze hebben beperkte doelen, maar ze zijn ook creatief. Je moet wel duidelijkheid bieden: daar gaan we het verbieden en daar niet. Zo gaan de grondkosten omhoog. Dat trekt ook creativiteit aan. De grote beleggers zeggen ons: jullie moeten schaarste regelen. Zorgen dat bouwen niet overal mag. Grote investeerders zeggen dat tegen ons: creeer schaarste.'

Overeenkomstig de wat bredere horizon die planologen eigen is, verwachten Den Dunnen en Van Essen dat het vijf tot tien jaar zal duren voordat de nu gepresenteerde aanpak in de praktijk zal doorwerken. Van een massale verhuizing van 'verkeerd' gevestigde bedrijven en instellingen zal geen sprake zijn. Den Dunnen: 'Ik heb hier gezegd: inventariseer eens wat er fout staat en wat er fout wordt gepland in Nederland. Mag ik daarna zien wat het kost om dat terug te draaien. Die inventarisatie wordt gemaakt, want de minister wil het weten. Maar je praat niet over 5 miljoen, je praat over sloten geld. Toch, de discussie is aan de gang. Laten we maar kijken hoe ver we kunnen springen.'