Discussie over subsidies kan losbranden

DEN HAAG, 19 juli Het gebeurt niet vaak dat een Kamerlid zo snel op zijn wenken wordt bediend. Deze week opperde de CDA'er Terpstra, de oud-vakbondsman die zich aan het ontwikkelen is tot de financieel specialist van de fractie, in een vraaggesprek met het blad van de christelijke werkgevers de gedachte om de jaarlijkse subsidiestroom van de overheid aan haar burgers met 'een procent of tien' te verminderen. Een dag later maakte premier Lubbers bekend dat het kabinet volgend jaar de subsidies met een procent gaat beperken. Tien procent gevraagd, een procent gekregen; het is niet veel, maar belangrijker voor mensen als Terpstra is dan ook dat nu in elk geval in dezelfde richting wordt gedacht.

Rondpompen van geld, heet in de wandeling het systeem waarbij de overheid aan de ene kant op ruime schaal subsidies verstrekt, maar voor de financiering ervan aanklopt bij de belastingbetaler. Als de subsidie-ontvanger en de belastingbetaler een en dezelfde persoon zijn, is het een vrij nutteloze bezigheid. Dat was dan ook nooit de bedoeling. Zaken als huisvesting, openbaar vervoer, cultuur moesten voor iedereen toegankelijk zijn. Vandaar de diverse subsidieregelingen waarmee inmiddels zo'n 30 miljard gulden per jaar is gemoeid.

De Sociaal-Economische Raad probeerde twee jaar geleden in het advies over het sociaal-economisch beleid op middellange termijn de discussie over het subsidiestelsel aan te zwengelen. 'Nieuwe inzichten wijzen erop dat de maatschappelijke kosten van het subsidie- en heffingenstelsel in het verleden onderschat zijn', zo merkte de raad met veel understatement op. De belastingheffing die nodig was om de subsidiepotten te kunnen vullen, werken loonkostenverhogend en beinvloeden daardoor de vraag naar arbeid negatief. Bovendien leidt de progressie in de belastingheffing en het inkomensafhankelijke karakter van veel subsidieregelingen ertoe dat een werknemer van elke extra verdiende gulden nauwelijks iets overhoudt en in een enkel geval er zelfs netto op achteruit gaat. Wat weer slecht is voor de arbeidsmobiliteit en de bereidheid van werknemers zich bij te scholen. En verder wees de Sociaal-Economische Raad op de internationale trend die toch ook ging in de richting van een herziening van belasting -en subsidiestelsels.

Er was maar een moeilijkheid: wat zou het effect van een herziening zijn op de in Nederland altijd tot heftige debatten leidende inkomensverdeling? Maar dit probleem was volgens de SER nu juist overschat. In het advies werd verwezen naar een rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) uit 1987 over de Nederlandse economie waarin wordt geconstateerd dat het heffingen -en subsidiestelsel nauwelijks een merkbare invloed op de inkomensverdeling heeft uitgeoefend.

Het is na het verschijnen van het SER-advies in 1988 opmerkelijk stil geworden rondom het thema subsidies. In het rapport werd weliswaar een voorstellenpakket met concrete maatregelen aangekondigd, maar de raad heeft daar maar van afgezien toen bleek dat de respons uit de politiek minimaal was. Bovendien bleek de materie ook in de FNV, een van de grotere partners in de SER, tot grote meningsverschillen te leiden. De vertegenwoordigers van de FNV in de SER werd door de aangesloten vakbonden verweten zich iets te gretig te hebben laten meeslepen.

Maar sinds deze week is het subsidie-systeem dus weer volop actueel. In de begrotingsbesprekingen is het kabinet overeengekomen dat de departementen hun subsidiestroom met 170 miljoen gulden zullen beperken. Het gaat hierbij vooral om de ministeries van volkshuisvesting (huursubsidies, premieregelingen), verkeer en waterstaat (openbaar vervoer) WVC (cultuur, jeugdbeleid, gezinsverzorging) en economische zaken (subsidies aan het bedrijfsleven). Deze eerste saneringsronde moet duidelijk maken of in de toekomst meer mogelijk is. De discussie kan in elk geval nu niet meer worden ontweken.