CHINEES EXPORTPORSELEIN IN GRONINGER MUSEUM; Leeuwen die opdraakjes lijken

Met enige tegenzin laadde de VOC in de achttiende eeuw porselein in haar schepen voor de terugreis uit Canton. Andere 'voordeelige ballast' die als droge bodem voor de thee kon dienen was in China moeilijk te vinden. Bovendien moesten de kisten met porselein de schepen de vereiste 'stijfte en vastigheijd' geven voor de overtocht. De VOC kocht daarom grote hoeveelheden alledaags serviesgoed, dat zij in Nederland makkelijk kon verkopen, met een winst van gemiddeld honderd procent. Dat was kennelijk niet winstgevend genoeg om de porseleinhandel te monopoliseren. Kooplieden, matrozen en wie maar wilde betalen mochten bovendien zelf gevulde kisten meesturen. Als het porselein waarmee die kisten zaten volgestouwd naar Europese smaak was vervaardigd - met Westerse vormen of decoraties - heette het Chine de Commande.

Aan dit vanouds bijzonder populaire exportporselein heeft het Groninger Museum een tentoonstelling gewijd. 124 stukken uit de collectie van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel zijn er tot en met 12 augustus te zien. De tentoonstelling deed eerder Hong Kong aan, zal nog naar Singapore en Seoul reizen, om daarna weer permanent opgesteld te worden in het Chinese Paviljoen te Brussel. De collectie van de Koninklijke Musea is klein, maar kwalitatief van een hoog niveau. Ze geeft een goed overzicht van de verschillende typen objecten waarin werd gehandeld. Weliswaar vertoont de Brusselse verzameling enkele hiaten; er is bij voorbeeld nauwelijks commande in blauw-wit. De bezoeker kan echter doorlopen naar de kelder van het Groninger Museum, dat van deze ondersoort zelf enkele fraaie voorbeelden bezit.

Hoewel het commande een eeuwenlange traditie kent, viel haar bloeiperiode samen met de achttiende-eeuwse mode der chinoiserie. In Europa werden vele herenhuizen rond het midden van die eeuw verrijkt met een Chinese kamer en bij talloze vijvers verrezen Chinese bruggetjes. Deze hang naar het exotisch-Chinese ging niet noodzakelijkerwijs samen met een verlangen naar authenticiteit: het porselein moest voldoen aan Westerse wensen over vorm of decoratie. De klant stuurde hiertoe een voorwerp of een tekening mee naar China.

De Chinese pottenbakkers vervaardigden zo porseleinen kwispedoors, melkkannen, boekensteunen, tulpenvazen, pispotten, viskommen, botervloten, kaststellen, knoppen voor wandelstokken, inktkokers en pruikenstandaards. Voerden zij bovendien in de zeventiende eeuw het meeste commande nog uit in het traditionele blauwe * erglazuur, in de eerste decennia van de volgende eeuw ontwikkelden ze diverse bonte paletten die zeer aan de Europese smaak tegemoet kwamen.

In Groningen staat bij voorbeeld een ovaal scheerbekken met een uitsparing voor de hals waarop twee Chinese geleerden in een tuin aan het drinken zijn. Een dienaar houdt de kruik gereed. Deze decoratie en de bloemenrand zijn uitgevoerd in de lieflijke voorjaarskleuren van het 'famille rose'-email, waarin roze de boventoon voert naast diverse tinten lichtgroen, blauw en geel.

De Brusselse conservatrice, Chantal Kozyreff, moppert in haar inleiding bij de catalogus dat onze voorouders voor hun bonte wansmaak nog wel geexcuseerd kunnen worden omdat ze weinig van Chinese kunst afwisten. Maar zij betwijfelt of er bij het huidige publiek wel enige verbetering is opgetreden. Het ergst vindt zij het dat de Chinezen hun eigen goede smaak door het commande lieten corrumperen. Hiermee verraadt zij een oud vooroordeel volgens hetwelk alleen die kunst die de 'ware volksaard' uitdrukt, echte kunst is. De samensteller van de catalogus, de Groningse conservator Christiaan Jorg, beperkt zich gelukkig tot een heldere kunsthistorische uitleg. Tentoonstelling en catalogus zijn ingedeeld naar de diverse voorkomende vormen en decoraties. Getoond worden bij voorbeeld religieuze en mythologische voorstellingen, waarbij Jorg zich afvraagt of van de bordjes met de kruisigingsscene wel ooit een boterham met kaas genuttigd is. Vermakelijk is het erotisch porselein, zoals een schoteltje waar op de onderkant een vrouw haar rokken oplicht.

Veel plaats is ingeruimd voor het zogenaamde wapengoed. De hele achttiende eeuw door bestelden adellijke en minder adellijke families in China serviezen, kandelaars en theepotten met hun familiewapen erop. Daarbij ging nogal eens wat mis. In de onlangs verschenen, geheel bijgewerkte herdruk van zijn standaardwerk over Chine de Commande uit 1966 vermeldt D. F. Lunsingh Scheurleer hoe een Engelse klant zijn bestelde bordjes terugkreeg met onder de wapens sierlijk gepenseeld: 'These are the arms of myself and my wife'. De schilder had niet begrepen dat deze aanwijzing alleen voor hem was bedoeld. Dergelijke vergissingen zijn ook in Groningen te zien. Ontroerend is het haast om te merken hoeveel moeite de Chinese schilders hadden met het weergeven van Europese figuren. Ook de voor hen onbekende architectuur op sommige wapenborden ziet er onhandig uit, en leeuwen lijken af en toe op draakjes. Het is die culturele kloof die nog eens extra duidelijk maakt hoe bijzonder het eigenlijk was dat duizenden Nederlanders in de zeventiende en de achttiende eeuw dagelijks van Chinese borden aten, commande of niet.

'Chine de Commande. Chinees exportporselein uit de Koninklijke Musea te Brussel'. Groninger Museum, Praediniussingel 59. T/m 12 aug. Di. t/m za. 10-17u., zo. 13-17u. Catalogus fl. 60, .'Chine de Commande' door D. F. Lunsingh Scheurleer (uitg. De Tijdstroom). fl. 123,50.