Windenergieproject eindigt als scriptie-onderwerp

Grootse plannen en wat er van terecht kwam. Vaak liepen ze uit op een falikante mislukking, soms bleek een plan een luchtkasteel en niet zelden gingen anderen er met het idee vandoor. In een serie artikelen komen enkele bijzondere projecten aan bod. Vandaag het Plan-Lievense.

BREDA, 18 juli Ir. L. W. Lievense staat nog voor honderd procent achter zijn plan. Sterker nog, hij is ervan overtuigd dat Nederland over 25 jaar een opslagsysteem van windenergie heeft, zoals hij dat in 1979 al had voorgesteld. 'Er zal een maatschappelijke noodzaak voor moeten zijn, zoals indertijd voor het Deltaplan', zegt Lievense. 'Dat was er ook niet gekomen zonder de watersnoodramp van 1953. Maar die noodzaak komt er, al weet ik niet of ik dat nog meemaak. De olie- en gasvoorraad op de wereld is een aflopende zaak. De kinderen van nu krijgen straks met een heel andere energiehuishouding te maken.' Het 'Plan-Lievense' had een technisch hoogstandje moeten worden waarbij windenergie wordt opgehoopt in een groot wateropslagbekken, waarna door waterkracht elektriciteit wordt opgewekt. Het komt erop neer dat elektrische energie, die wordt opgewekt met windmolens, tijdelijk wordt omgezet in potentiele energie door water naar een hooggelegen spaarbekken op te pompen. Door dat opgepompte water via turbines naar een lager waterniveau te laten weglopen kan later stroom worden opgewekt.

Een van de nadelen van windenergie is dat de leverantie van elektriciteit op en neer gaat met het grillige gedrag van de wind. Een opslagsysteem heft dat probleem op. Het bekken vormt een soort accu waaruit naar behoefte kan worden 'getapt'. Ook de vraag naar elektriciteit immers wisselt sterk, omdat er 's nachts en in de weekeinden minder elektriciteit wordt gebruikt dan op een doordeweekse dag. De opslag garandeert een bepaald vermogen, waardoor het vermogen aan vervuilende elektriciteitscentrales die met olie of kolen worden gestookt, kan worden verminderd. In perioden met veel wind is het bovendien mogelijk stroom van de windmolens rechtstreeks aan het openbare lichtnet te leveren.

Het plan bestaat uit twee onderdelen: een opslagbekken en windmolenparken. De molenparken hoeven niet noodzakelijkerwijs dicht bij het bekken te liggen, maar verspreid in windrijke kustgebieden zoals het havengebied van Rotterdam, de kop van Noord-Holland, of Zeeland. Voor het plan zijn duizend windmolens nodig van 80 meter hoogte met twee wieken van 40 meter. De centrale is goed voor 1.600 megawatt.

De nu 65-jarige Lievense heeft zijn naam verbonden aan meer prestigieuze projecten. Voor hij in 1964 zijn eigen raadgevend ingenieursbureau in Breda oprichtte, werkte hij bij Rijkswaterstaat aan belangrijke waterstaatkundige werken als de ontwikkeling van de Rotterdamse Waterweg, het dijkherstel na de watersnoodramp en de afsluiting van het Haringvliet. Met zijn eigen bureau voerde hij over de hele wereld grote opdrachten uit. Een van zijn mooiste werken vindt hij zelf een indrukwekkende kolenterminal in open zee voor de Israelische kust. Van Lievense is ook het voortvarende, maar nooit uitgevoerde idee van een brug-tunnelverbinding boven en onder de Westerschelde.

Tijdens een van zijn vele buitenlandse reizen kwam hij op het idee van het gecombineerde windenergie- en waterkrachtproject. 'Ik las over uitvoerige windmetingen op Texel, het grote windaanbod en de jammerklacht dat je die wind niet kunt opslaan. Ik ben toen voor de grap gaan uitrekenen wat er gebeurt als je het Markermeer ophoogt en gebruikt voor de opslag van energie. In het buitenland is wateropslag voor elektriciteit een heel oud systeem. Maar nieuw was de gedachte windenergie op te slaan.' Het systeem bood volgens de berekeningen van Lievense grote voordelen voor zowel de elektriciteitsproduktie als voor de Nederlandse economie. De investering was vijf tot zes miljard gulden. Maar op den duur zou het volgens Lievense een winst opleveren van 400 tot 500 miljoen gulden per jaar. Lievense: 'Ik heb de toenmalige minister van wetenschapsbeleid Van Trier gevraagd een team samen te stellen van de beste mensen die er in Nederland waren om het plan te bestuderen'.

Er kwam een begeleidingscommissie, voorgezeten door ir. G. Plantema, oud-directeur van de dienst gemeentewerken in Rotterdam. De commissie concludeerde in mei 1981 in een lijvige studie dat er zo snel mogelijk moest worden begonnen met de aanleg van een spaarbekken en wel in het Markermeer. Het bekken moest een oppervlakte van 55 km krijgen en afgeschermd worden door 30 meter hoge dijken. Het water erin zou maximaal 23 meter boven NAP komen te staan. Met de bouw, die tien jaar zou duren, zouden enkele tienduizenden manjaren gemoeid zijn. Daarna kon het project permanent werk bieden aan ongeveer 1.650 personeelsleden. Niet iedereen was blij met het plan. Sommigen vreesden dijkdoorbraak van het opgehoogde meer. Ook de hoge dijken stuitten op bezwaren. Op het ministerie van economische zaken (EZ) werd gemord over de gevolgde procedure. Lievense: 'Het ministerie vond dat het plan in de verkeerde bus was gedaan. Ze vonden dat het niet bij wetenschapsbeleid, maar bij EZ thuishoorde'.

Het resultaat was dat het plan werd overgeheveld naar EZ. In januari 1983 verscheen een vervolgstudie van de commissie-Plantema, waarin weer werd aanbevolen de voorbereidingen 'met de grootste voortvarendheid' ter hand te nemen. Er zou kunnen worden volstaan met een kleiner opslagsysteem van 30 km.

Nadat in januari 1983 ambtenaren van EZ kritiek op het plan hadden uitgeoefend omdat het te duur zou zijn en te veel tijd zou kosten, kwam er in oktober van dat jaar een regeringsstandpunt. Dat betekende opschorting van het plan. De minister wilde eerst de resultaten afwachten van een proefwindmolenpark. Ook zou er onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheden van opslagsystemen. 'Daar kwam 100 miljoen voor ter beschikking, waarvan 75 miljoen voor een windenergiepark, dat een flop is geworden', aldus Lievense.

Later kwam Lievense met het idee een cirkelvormig bekken van 15 km te bouwen op de zandplaat Razende Bol bij Texel. 'De Markerwaard had ik toevallig gekozen', vertelt hij. 'Later bleek dat je beter een kleinere en hogere opslag kon maken. Uit onderzoek naar mogelijkheden langs de Nederlandse kust leek uiteindelijk een lokatie langs de Zeeuwse kust bij de Brouwersdam het meest geschikt.' In 1986 verscheen onder auspicien van EZ 'een 25 centimeter hoge stapel boekwerken' over opslagsystemen. De studie was bedoeld om de economische haalbaarheid van stroomopslag af te wegen tegen grootschalige toepassing van kernenergie. Toen kwam echter de ramp met de kerncentrale in Tsjernobyl die de discussie voorlopig lam legde. Lievense: 'De studie is niet verder voortgezet. Ik denk dat het tijd is de zaak te heroverwegen met een volledige berekening van de milieu-effecten. Door de strengere milieuvoorschriften worden kolen- en kerncentrales ook met de dag duurder'.

In juni 1988 werd het Plan-Lievense nog eens aangehaald als het 'minst onaantrekkelijke' van alle opslagsystemen. Dat gebeurde naar aanleiding van een onderzoek van de elektriciteitsbedrijven naar de economische mogelijkheden van omvangrijke elektriciteitsopslag. Het is het laatste dat Lievense over zijn plan heeft vernomen. 'Ik denk dat het ergens in een kast ligt bij EZ. Publieke interesse is er nog wel voor. Ik krijg nogal wat aanvragen van scholieren die een scriptie moeten maken. Maar officieel gebeurt er nu niets mee.'