Ridley's machteloos getier in eigen kring

De beschaafde bruut heeft zijn vaste plaats in de vaak zo voorzichtige, nette kringen in Engeland. Komen de echt netten bij verzet of tegenspraak niet veel verder dan 'I wonder', de bruut noemt de dingen regelrecht bij hun scheldnaam, gaat bij herhaling door taboe-barrieres. Daaraan ontleent hij zijn zeldzaamheidswaarde en daardoor geniet hij het grote voordeel nimmer voor een 'bore' gehouden te kunnen worden.

Over het karakter van ex-minister Ridley zullen we het hier niet verder hebben, wel over wat hij aan de orde heeft gesteld. Hij zal zeker gedacht hebben zijn eerste minister weer eens een groot genoegen te hebben gedaan. Misschien had zij hem zelf wel eens terloops gevraagd: 'Nic, zou jij niet eens op jouw eigen ronde manier willen zeggen wat ons al zo lang in dat Brussel en in die arrogante Duitsers dwars zit? Ik heb Brussel op mijn manier de levieten gelezen in Brugge, maar dat heeft weinig geholpen. Ik heb de verwaten Brusselse bureaucratie amper weten te raken. You do it your way, dat heeft misschien meer effect. Wij zullen in ieder geval voorlopig niet nog meer van onze soevereiniteit overdragen aan die Brusselse autocraten die niet alleen zelf niet verkozen zijn, maar ook nog amper door dat maffe parlement in Straatsburg gecontroleerd worden.'

(Alsof overdracht van soevereiniteit voor de Britse prime minister aanvaardbaarder zou zijn wanneer dat Straatsburgse parlement sterker zou staan dat gelooft natuurlijk niemand). Gevolgen heeft Ridley's gesprek met de zielsverwante Spectator zeker gehad: Ridley vloog er (voorlopig?) uit en de pro-Europese stemming bleek in het Verenigd Koninkrijk sterker dan vaak was aangenomen.

Is daarmee de Ridley-episode een achterhoedegevecht van een Engeland dat toch al bezig is door de bocht te gaan waar het gaat om de Europese monetaire integratie? Was Ridley, voor wie naar eigen zeggen Australie nader is dan het continent, de laatste minister die geofferd werd voor de grote wending in de Britse Europa-politiek? Een wending die uiteraard niet con amore zal worden gemaakt, alleen omdat het niet anders kan en omdat niet aansluiten nog meer blijkt te kosten voor de Britse economie dan wel aansluiten. Hoe lang kan Londen zich nog deze afzijdigheid veroorloven of is dit werkelijk het begin van een Europa van de twee snelheden? Hoelang nog zal de Britse regering aan de schijn-soevereiniteit blijven vasthouden, uitgedrukt in de enige munt, dat symbool bij uitstek van collectieve identiteit? Wanneer werkelijke kracht ontbreekt, spelen symbolen een des te belangrijker rol. Ridley's vertrek kan de beantwoording van deze vragen zelfs hebben versneld. De politiek zit nu eenmaal vol boemerang-effecten en een politicus dient zich te realiseren dat hij altijd het gevaar loopt dat hij met zijn actie het tegendeel bereikt van waar hij op uit was.

Hoe Labour zich in deze situatie zou hebben gedragen, ware deze partij aan de regering, laten we hier maar rusten. De Europa-liefde van Labour is nog te nieuw en te opgelegd om ergens zeker van te kunnen zijn.

Arme Italiaan

Roerend is het te lezen dat Ridley zonder meer toegeeft dat een deel van de Britse industrie verdere europeanisering niet zal overleven en dat de werkloosheid alleen maar vergroot zal worden. Zijn gesprek weerspiegelt die merkwaardige mengeling van hooghartige Britse 'old-boys'-stoere-taal en de erkenning van Britse zwakte: de trotse Romeinse staatsburger die een arme Italiaan blijkt te zijn.

Maar belangrijker dan Ridley's getier over Brussel is wat hij over de Duitse 'bondgenoten' weet te melden. Daar komt niet alleen in volle omvang het Tweede-Wereldoorlogssyndroom naar boven, ook blijkt zijn grote onbegrip voor wat de Duitse politiek beweegt.

Na de Duitse omwenteling in november vorig jaar is er een luid zwijgen van de buren van Duitsland waar te nemen. Men stond erbij en keek ernaar. Alleen de Polen hebben hun angsten niet onder stoelen of banken gestoken. Uit Frankrijk echter, dat zich in het verleden bij herhaling heeft opgeworpen als keurmeester van Duitsland, hebben we tot nu toe weinig Ridley-achtige uitschieters over de heerszuchtige Duitsers vernomen. De Fransen worden dan ook door Ridley afgedaan als schoothondjes, poedels die Duitsland slaafs volgen. Zeker is dat zich een radeloosheid heeft meester gemaakt van de Franse buitenlandse politiek, die al haar instrumenten voor een equilibreren a la Francaise schijnt verloren te hebben. Zo moet het voor Mitterrand wel een ontgoocheling zijn geweest, toen hij bij zijn bezoek aan Kiev in december vorig jaar van Gorbatsjov te horen kreeg, dat Moskou niet in staat is de Duitse vereniging te remmen en al helemaal niet de DDR overeind te houden. Deze Parijse dubbelhartigheid kan Duitse politici niet ontgaan zijn.

Neen, Parijs schijnt voor dit moment hoe lang nog? slechts een middel te zien om het Duitse vraagstuk beheersbaar te houden: door versterking van het Europese kader, onder meer door de monetaire unie waarvoor Duitsland zwaar zal moeten betalen. Terwijl wilde Franse uitschieters tegen het nieuwe Duitsland tot nu toe zijn uitgebleven, is het dus een Engelse minister geweest die aan sentimenten uiting gaf die in het wonderlijke zwijgen van de buren onderdrukt schenen te worden: angst voor de kracht van het nieuwe Duitsland dat nu op andere wijze Europa zou gaan overheersen.

Weinig geleerd

Er is de laatste dagen nogal wat drukte gemaakt over het seminar dat mevrouw Thatcher in maart over Duitsland heeft gehouden met bekende Duitsland-kenners. Het verslag hiervan is nogal kalm van toon en kan niet de oorzaak zijn geweest van veel opwinding. De meest onthutsende zin in dat verslag is wel deze: 'De EG was verrassend genoeg nauwelijks onderwerp van gesprek'. Ridley blijkt weinig van dat seminar geleerd te hebben. Het is geen machtspolitiek die de Duitse regering voert binnen Europa, zij probeert anderen niet de wet voor te schrijven. Het is de kracht van de Duitse economie (omvang BNP, produktiviteit, kwaliteit, winst, groeivermogen en dergelijke) die Duitsland een dominante positie in Europa doet innemen: dominant echter niet in de zin van dicteren.

Alle europeanisering kan die Duitse kracht niet verbloemen. Sterkte betekent echter ook sterke afhankelijkheid van de Europese markt. Bovendien leidt deze sterkte er voortdurend toe dat Bonn zwaar betaalt voor alles wat ondernomen wordt op het gebied van monetaire integratie in Europa. Niet uit burenliefde, maar omdat stabiele wisselkoersen in Europa en de Verenigde Staten voor de Duitse export van groot belang zijn. Niet voor niets verzette Kohl zich in december toen de Europese Monetaire Unie hem door de strot werd geduwd. Hij wist niet hoeveel, wel dat die Unie Bonn veel gaat kosten, naast alle andere verplichtingen die Bonn als gevolg van de bevrijding van Oost-Europa te dragen krijgt.

Meer dan enig ander land van de EG is Duitsland betrokken bij de Oosteuropese wederopbouw. Bonn kan zich niet veroorloven niet actief in dat proces te participeren, daarvoor zijn er te veel Duitse belangen in dat deel van Europa in het spel. Zo zal er ongetwijfeld in Oost-Europa een economische afhankelijkheid van Duitsland groeien.

Op de wereldtop in Houston werd nog eens duidelijk dat het voor Bonn bij kredietverlening aan Moskou niet gaat om de vraag of dat geld in een bodemloze put verdwijnt. Het ging om de vraag of door kredieten betere condities voor de Duitse vereniging in Moskou waren 'los te kopen'. Duitsland heeft nu eenmaal Moskou economisch veel meer te bieden dan het Verenigd Koninkrijk.

Duitse show

Dit alles Duitse machtspolitiek te noemen is onjuist. De Duitse regering handelt onder grote druk der omstandigheden die ontstaan zijn na november vorig jaar. Niet of langzamer handelen zou veel meer het gevaar van ontsporingen kunnen oproepen. Wel moet worden vastgesteld dat het in de eerste plaats een 'Duitse' show is die zich voor onze ogen afspeelt; de andere Westerse partners en de EG komen er pas in tweede instantie, uit de marge aan te pas. En er wordt deze dagen in Bonn wel erg veel over 'volledige Duitse soevereiniteit' (namelijk ten opzichte van de vroegere bezetters) gesproken, alsof er van Europese integratie nooit sprake is geweest. Voor al deze factoren van de Duitse dynamiek heeft Ridley en helaas vele Britten met hem weinig begrip. Hij verwijst naar het oude Britse spel van balance of power, zonder in te zien dat dat al in de jaren dertig niet meer werkte. Engeland heeft er al lang de kracht niet meer toe om evenwicht op het continent te herstellen, wat dat ook moge zijn.

Er zijn nieuwe kaders ontstaan waarbinnen nog gepoogd kan worden het Duitse overwicht en de Duitse koers beheersbaar te houden. Een van die kaders is de door Ridley vermaledijde EG. Het zou rampzalig zijn wanneer uitgesproken op dit moment de limieten van de Europese integratie bleken te zijn bereikt, juist nu ons uit Oost-Europa een herleving van nationalisme tegemoet komt.

Zolang Londen zich een outsiderspositie meent te kunnen veroorloven ten opzichte van de EG en zolang Londen en Parijs nog zoveel energie steken in onderlinge kibbelarij, zal er zeker geen deugdelijk tegenwicht in Europa ontstaan. Britse uitspraken a la Ridley blijven dan slechts schelden in het donker met alle heisa die dat machteloze getier in eigen Britse kring veroorzaakt.

De auteur is hoogleraar nieuwe geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.