De Amstelstaat; een flard van zondige triestheid

De Amstelstraat is een straat waar het altijd waait. Het is een sleuf die het Rembrandtplein verbindt met de Amstel. Behalve de stijlvolle achttiende eeuwse tuin van Museum Willet Holthuyzen, verborgen achter een hekwerk, en een glimp van de Blauwbrug heeft de Amstelstraat nauwelijks iets te bieden.

Het is een korte straat, misschien kunnen er net drie trams van lijn 9 in linie doorheen rijden. Geen wandelaar zal er zijn pas inhouden om de gevels aandachtig te bekijken. Het is dan ook een verschrikking wat stadsarchitectuur hier heeft aangericht. Op een stille zondagochtend betreed ik de straat om het allemaal in me op te nemen. Het is geen kunst bij de entree van de Amstelstraat, komend van het Rembrandtplein, een flard van triestheid door het hart te voelen gaan. Net of ik een fotoalbum van vroeger doorblader in het besef dat er maar een zekerheid is: die van de vergankelijkheid.

Op talloze plekken is Amsterdam de stad van het verdwijnen. Historie gaat schuil achter baksteen en betonplaat. Ik geef me over aan nostalgie, een van de zeven hoofdzonden want nostalgie leidt tot niets.

Aan mijn linkerhand, Amstelstraat 5-7, lag in de vorige eeuw de Salon des Varietes. Verderop, waar ooit de nummers 21 en 23 op de muur stonden, gaven donkergroene deuren de toegang tot het Grand Theatre, gevestigd in de voormalige Duitse Schouwburg. Daartegenover, halverwege de Amstelstraat aan de rechterkant, Theater Flora, en weer een paar panden terug naar het Rembrandtplein het Centraal Theater. Het interieur van dat laatste schouwburgje was opzienbarend: de zaal werd begrensd door slanke ijzeren pilaren waartussen gordijnen werden dichtgeschoven bij aanvang van de voorstelling. Achter die gordijnen bevonden zich de buffetten. Na de pauze klonk nog lang het gerinkel van kopjes en glazen door de fluwelen plooien van de gordijnen heen.

Vier kleine schouwburgen op minder dan steenworp afstand van elkaar. Na de voorstellingen zwermden de toeschouwers uit naar de cafes in de buurt. Schiller natuurlijk, met al die schilderijen van toneelspelers aan de wand en het etablissement Roetemeyer voor een glas bier met een hard of zacht gekookt eitje.

Halverwege de vorige eeuw heette het Rembrandtplein de Botermarkt, ingeklemd tussen de huizen langs de Herengracht en de Binnen Amstel. Een foto uit die tijd, genomen in schuine hoek tegenover de Salon des Varietes, toont een bar op de hoek met reclame voor verzekeringen op de gevel, een winkel voor kristal en 'gasvloeilicht' en ernaast, als derde pand, de Salon. Heren in het zwart met hoed op lopen door de opname; een kar staat langs de lage stoeprand. De namen van de directieleden staan in grote letters tegen het front: Boas en Udels, de laatste een geliefd komediant. Een fries sluit de bovenzijde af, gesteund door zuilen waartussen een beeld omsloten door bloemendecoraties. In het koffiehuis naast het theater, tevens de foyer, ontmoetten letterkundigen elkaar, onder wie Heijermans. De Salon werd een legendarisch theater, niet in het minst doordat Louis Bouwmeester er debuteerde op 24 december 1861. Later speelde hij ook nog verderop in het Grand Theatre.

Waar nu een diamantslijperij, coffee-shop, een discotheek, een Club voor Zakenmensen, Club 13, een steengrill en een Bruiningscentrum, Disco Theatre, Restaurant Mokum, een parkeergarage, een bankgebouw en meer van dat treurigs zijn gevestigd, donderde ooit de stem van Louis Bouwmeester. Op foto's zien we Bouwmeester met geheven kin, heftig rollende ogen, klauwende handen, een en al een toneeldier. Zijn stem kunnen we niet horen, toch kunnen we ons bij de volgende karakterschets wel iets voorstellen: 'Hij was geen heer op het toneel, maar koning, bedelaar, profeet; hij gaf verontwaardiging, liefde, haat, berouw en alle grote gevoelens in een schelle belichting. Alles wat in hem school, trad als het ware met een schreeuw naar buiten.' Grote gevoelens aan die sleuf van de Amstelstraat. Niet alleen Louis Bouwmeester, ook Willem Royaards, mevrouw Kleine-Gartman, Theo Mann-Bouwmeester (de zuster van Louis), Jean-Louis Pisuisse en zelfs Sarah Bernhardt traden er op. Ze speelden naast vaudevilles en komedies echte drama's van nu vergeten schrijvers. We kunnen erover lezen in het Amsterdams Stadssarchief, in tal van memoires en in het geillustreerde boek van Looijen over de Amsterdamse theaters, Wie kwamen er niet in de Nes? Veel is vastgelegd, maar we raadplegen alleen wat is vastgelegd als we de band met de echte geschiedenis zijn verloren.

Schiller schreef eens dat 'de toneelkunst voor het nageslacht geen bloemen vlecht', daarmee doelend op de vluchtigheid van het theater. De Amstelstraat lijkt het symbool bij uitstek te zijn van dit verval en het verdwijnen; de schouwburgjes brandden af, werden gesloopt of veranderden in een cafe chantant. Flora bijvoorbeeld brandde eerst in 1902 af, later nog eens in het rampzalige jaar 1929, toen ook het Paleis voor de Volksvlijt in de as werd gelegd. Het moet in de winter zijn geweest. Een vroegere buurvrouw van me vertelde eens hoe ze als klein kind ging kijken naar het blussen: de vorst was zo streng dat het water uit de brandweerspuiten al snel in pegels veranderde. De volgende dag was tingeltangel Flora veranderd in een ijspaleis. De ruine bleef ruim twintig jaar staan. Weg was het gebouw waar Louis Davids zijn carriere begon, waar Koos Speenhoff zijn liedjes zong en het uitgaansleven bloeide.

In theaters wordt geschiedenis geschreven, niet alleen door de uitvoerenden of de regie, ook door de toneelauteurs zelf. In de Salon des Varietes ging in 1893 het stuk Ahasverus in premiere, een heftige en bewogen monoloog, geschreven door de Rus Ivan Jelakowitch. De dagbladen prezen het stuk de hemel in. Geen der scribenten kon in de verste verten vermoeden dat achter de quasi Russische naam Herman Heijermans schuilging die in datzelfde jaar zijn eigen Dora Kremer aan de schandpaal zag genageld. Heijermans had een diepgewortelde afkeer van opstuivende benen en frivole rokken die de pluchen theaterzaaltjes als vertier boden aan de heersende klasse. De vredige rust van het Hollandse toneel deed hem ontbranden in woede. Met Dora Kremer wilde hij daarmee in een keer afrekenen, maar tevergeefs. Dat lukte hem pas met de aanval op de kritiek die hij begon na het succes van Ahasverus, dat zich nu aan ons voordoet als een draak, en met die aanval tegelijk een protest tegen heel het Hollandse toneel: 'Elke buitenlandse werkelijkheid wordt in Holland een verfijnd voetlicht-ding.' Halverwege de Amstelstraat, aan de Herengrachtzijde, is nog een gevel te vinden in hetzelfde baksteenrood en met dezelfde neo-klassieke vensters als van Centraal, tot 1915 het Panopticum Theater, en Flora. De ramen zijn dichtgetimmerd. Er is de Club voor Zakenlui gevestigd. Op de zondagochtend kan het me niet zoveel schelen wat daar de afgelopen zaterdag tot ver na middernacht allemaal is voorgevallen. Zo'n club zou de laatste in mijn leven zijn om binnen te gaan, maar zeker weet je zoiets nooit. Het echte Centraal Theater lag iets verder naar het Rembrandtplein, en werd in 1965 afgebroken ter glorieuze uitbreiding van de belendende AMRO-bank.

Hier aan deze straat danste men vroeger variete, revue, zong men cabaret en operette. De door de Weense erotiek en decadentie aangeraakte stukken van Arthur Schnitzler beleefden hier opvoeringen, evenals twee befaamde stukken van Tennessee Williams, Glazen Speelgoed en Tramlijn Begeerte met Ank van der Moer als Blanche.

Toneel is meer nog dan iets anders de kunst van stemmen. Met gebaren kan geen literaire rol uitgebeeld worden, wel met de stem. Al zou ik nu op de stoeprand gaan zitten en in het boek der toneelgeschiedenis van de Amstelstraat al die toneelherinneringen lezen en de bladzijden door de wind laten omslaan, de stemmen zijn toch niet meer te horen. Het gerinkel van tram 9 verdrijft de zondagochtendse stilte. Geen tramlijn die enige begeerte opwekt, of het zou moeten zijn dat ik de straat snel wil verlaten. Ik besluit nog even de tijd te nemen en wijd een kwartiertje aan lichtvoetige nostalgie. Niet langer, dan wordt het sentiment.